Eigen schuld: bewuste of onbewuste waarneming maakt volgens het hof verschil
Sophie Zuidam
10/12/2025
Op 22 juli 2025 heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zich gebogen over de vraag of een supermarktbezoekster eigen schuld heeft aan een val over een transportdolly. De uitspraak is op 12 november 2025 gepubliceerd en hier terug te lezen.
Feiten
Op het terrein van Tilburg University bevindt zich een Albert Heijn to go (hierna: AH to go). Deze supermarkt wordt geëxploiteerd door Albron. Op 7 september 2022 is de benadeelde in de AH to go ten val gekomen over een transportdolly (een laag plateau op wieltjes, bedoeld om goederen mee te transporteren) die onbeheerd in een van de gangpaden stond. De benadeelde heeft daarbij meerdere (gecompliceerde) breuken opgelopen aan haar linkervoet.
Op 5 oktober 2022 heeft de benadeelde Albron aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Albron heeft op 22 februari 2022 de aansprakelijkheid erkend voor het ongeval, maar stelt zich op het standpunt dat sprake is van 25% eigen schuld die voor rekening van de benadeelde dient te komen.
Juridisch kader
Wanneer de schade niet alleen het gevolg is van een omstandigheid die aan een aansprakelijke partij kan worden toegerekend, maar daarnaast ook van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht van de aansprakelijke partij verminderd, door de schade over de benadeelde en de aansprakelijke partij te verdelen. Dit volgt uit artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv volgt dat de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast hiervan op degene rust die zich op artikel 6:101 BW beroept. Toepassing van artikel 6:101 BW is slechts aan de orde wanneer de schade in causaal verband staat zowel met de gebeurtenis op grond waarvan de aangesprokene aansprakelijk gesteld kan worden als met een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Voor het vereiste causaal verband tussen de gedraging van de benadeelde en de schade, moet ten eerste komen vast te staan dat de schade zonder die gedraging in het geheel niet zou zijn ingetreden of de schade lager uitgevallen zou zijn dan in werkelijkheid is gebeurd (condicio sine qua non-verband). De enkele aanwezigheid van een condicio sine qua non-verband tussen de gedraging en de schade is echter onvoldoende. Ook moet worden onderzocht of deze gedraging aan een benadeelde kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Voor toerekening moet in dit geval worden vastgesteld dat de benadeelde zich anders (namelijk onvoorzichtiger) heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden met het oog op zijn eigen belang zou hebben gedaan.
Dat een benadeelde de (extra) schade had kunnen voorkomen door anders te handelen dan hij deed is niet voldoende om hem zijn schade gedeeltelijk zelf te laten dragen. Toerekening vindt alleen plaats als de benadeelde, naar de objectieve maatstaven van de redelijk en zorgvuldig handelende persoon, onder de gegeven omstandigheden anders had kunnen en moeten handelen. Hetgeen in het vermogen van de benadeelde ligt, speelt daarbij een centrale rol.
Standpunten partijen
Albron stelt zich op het standpunt dat sprake is van 25% eigen schuld aan de zijde van de benadeelde, nu de schade mede het gevolg is van het feit dat de benadeelde onvoldoende voorzichtigheid in acht heeft genomen. Volgens Albron was de benadeelde bekend met het specifieke gevaar, aangezien uit de camerabeelden blijkt dat zij de transportdolly op de heenweg naar de koelvitrines is tegengekomen en deze heeft ontweken. Dit brengt volgens Albron mee dat van haar meer voorzichtigheid had mogen worden verwacht toen zij korte tijd later door hetzelfde gangpad naar de kassa liep (hierna: de terugweg). Albron meent dat de onvoldoende oplettendheid aan de benadeelde kan worden toegerekend. Er is sprake van een kleine winkel met een beperkt assortiment, waar de schappen praktisch continue worden bijgevuld. Er is daarnaast slechts een korte tijd verstreken tussen de heenweg (toen zij de dolly ontweek) en de terugweg (toen zij over de dolly struikelde). De dolly stond nog steeds op dezelfde plaats. Onder deze omstandigheden had de benadeelde op de terugweg door hetzelfde gangpad oplettender moeten zijn en de dolly kunnen en moeten ontwijken, aldus Albron.
De benadeelde betwist dat zij de transportdolly op de heenweg bewust heeft waargenomen. Zij heeft de dolly weliswaar ontweken, zoals op de filmbeelden is te zien, maar zij was op dat moment bezig met de boodschappen die zij wilde kopen en heeft niet bewust geregistreerd en in haar bewustzijn opgeslagen dat de dolly daar stond. Zij is vervolgens geruime tijd, namelijk 75 seconden, bezig geweest met het uitzoeken en kiezen van haar boodschappen. Op de heenweg is zij rechtdoor langs de dolly gelopen, maar op de terugweg heeft zij een andere route genomen: zij is via het andere gangpad teruggelopen en toen halverwege afgeslagen naar het gangpad waar, direct om de hoek, de transportdolly stond.
Oordeel van het hof
Het hof past het hiervoor uiteengezette juridisch kader toe en motiveert dit uitvoerig. Nu Albron de aansprakelijkheid reeds heeft erkend, staat in deze procedure uitsluitend de eigen schuld ter discussie.
Het hof is van oordeel dat van doorslaggevend belang is of de benadeelde de dolly op de heenweg heeft gezien en heeft geregistreerd, of dat zij deze weliswaar heeft gezien, maar er gedachteloos omheen is gelopen en in die zin de dolly dus slechts onbewust heeft waargenomen. Volgens het hof is het mogelijk dat de benadeelde de dolly wel (onbewust) heeft waargenomen en gepasseerd, maar tegelijkertijd het specifieke gevaar van de dolly niet bewust heeft geregistreerd en in haar geheugen heeft opgeslagen. Het hof overweegt daarbij dat mensen voortdurend beslissingen op de ‘automatische piloot’ nemen en noemt daarbij een aantal voorbeelden: autorijden terwijl je je bij thuiskomst de situatie op de weg niet kunt herinneren of op je horloge kijken om te checken of je nog tijd hebt maar vervolgens niet kunnen zeggen hoe laat het is.
Het hof is van oordeel dat áls de benadeelde de dolly op de automatische piloot is gepasseerd en het gevaar niet in haar geheugen heeft opgeslagen, zij op de terugweg ook niet oplettender had kunnen handelen.
De benadeelde heeft daarbij steeds consistent verklaard dat zij de dolly niet (bewust) heeft gezien. Volgens het hof wijzen ook de filmbeelden in die richting: te zien is dat de benadeelde om de dolly heen loopt, maar dat zij daarbij de hele tijd links en rechts opzij kijkt naar de schappen en niet naar beneden, naar de dolly. Hieruit leidt het hof af dat de benadeelde op de heenweg de dolly weliswaar heeft waargenomen, maar dat zij zich op dat moment niet bewust is geworden van het specifieke gevaar dat de dolly met zich bracht. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de benadeelde het gevaar van de dolly bewust heeft geregistreerd. Onder die omstandigheden kan haar niet verweten worden dat zij onvoldoende oplettend heeft gehandeld door op de terugweg de dolly niet te ontwijken. De benadeelde heeft zich volgens het hof niet anders gedragen dan een redelijk mens met het oog op zijn eigen belang onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan.
Conclusie
De schade is volgens het hof niet mede veroorzaakt door een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Er is derhalve geen sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, waardoor Albron 100% vergoedingsplichtig is voor de geleden en nog te lijden schade van de benadeelde.


