Overlijdensschade

Civiele rechter houdt dader wél aansprakelijk voor overlijden na overval

Femke van de Klok

24/6/26

In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 20 mei 2026 ging het om een man die na een gewelddadige overval ernstig knieletsel opliep en uiteindelijk in het ziekenhuis overleed aan complicaties na een operatie. Hoewel de strafrechter het overlijden niet aan de dader toerekende, oordeelde de civiele rechter dat de dader wél aansprakelijk is voor de schade die verband houdt met het overlijden.
De rechtbank legt uit waarom in deze civiele procedure wél voldoende causaal verband bestaat tussen de overval en het overlijden van het slachtoffer, dat uiteindelijk overleed aan complicaties na een knieoperatie. Daarnaast laat deze zaak zien welke betekenis een strafrechtelijke veroordeling kan hebben in een civiele procedure. Voor slachtoffers, nabestaanden en anderen die schadevergoeding willen vorderen, bevat het vonnis nog belangrijke aandachtspunten.
Wat was er gebeurd?
In maart 2024 werd een 64-jarige man (hierna: het slachtoffer) in zijn woning overvallen en afgeperst. Tijdens een vluchtpoging werd hij achtervolgd door één van de daders en uiteindelijk vastgepakt, naar achteren getrokken en terug naar binnen gesleurd. Door dit geweld is het slachtoffer ten val gekomen en heeft hij de pezen in beide knieën afgescheurd. Een operatie was noodzakelijk. Na de knieoperatie zijn er complicaties opgetreden waaraan het slachtoffer uiteindelijk is overleden in het ziekenhuis.
Wat oordeelde de strafrechter?
De strafrechter stelde vast dat de dader zich schuldig had gemaakt aan diefstal met geweld en afpersing. Ook stelde de strafrechter vast dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel dat het gevolg was van de diefstal met geweld en dat dit aan de dader is toe te rekenen.
Voor het overlijden lag dat anders. De strafrechter vond niet dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de dader.  
De civiele procedure
De dochters van het slachtoffer en de ex-echtgenote startten vervolgens een civiele procedure. De dochters wilden onder meer een vergoeding van affectieschade, uitvaartkosten, terugbetaling van het geld dat hun vader onder dwang had overgemaakt en zij meenden recht te hebben op vererfd smartengeld. De ex-echtgenote van het slachtoffer vorderde daarnaast vergoeding van misgelopen alimentatie. Volgens hen was de dader niet alleen verantwoordelijk voor het letsel, maar ook voor het overlijden van hun vader en ex-echtgenote.
Belang van het strafvonnis
De dochters en de ex-echtgenote houden de dader civielrechtelijk aansprakelijk op grond van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). In een civiele procedure rust in beginsel op eisers de bewijslast. Dat betekent dat zij moeten aantonen dat de dader onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij daardoor schade hebben geleden. Juist daarom is het strafvonnis in deze zaak van groot belang.
In deze uitspraak benadrukt de rechtbank dat een strafvonnis in een civiele procedure dwingend bewijs oplevert van de feiten die de strafrechter bewezen heeft verklaard.
In deze zaak komt daardoor al snel vast te staan dat de dader betrokken was bij de overval, het slachtoffer ten val had gebracht en verantwoordelijk was voor het zware knieletsel.
Causaal verband tussen de strafbare feiten en het overlijden volgens de civiele rechter
De dader stelde dat hij niet aansprakelijk kon worden gehouden voor het overlijden van het slachtoffer. Volgens hem was geen sprake van een duidelijke, objectief vastgestelde doodsoorzaak. Daarnaast wees hij erop dat de medische adviezen waren gebaseerd op waarschijnlijkheden en er verschillende mogelijke scenario’s stonden beschreven. Ook vond hij dat de kwetsbare gezondheid van het slachtoffer niet voor zijn rekening mocht komen.
De rechtbank volgde dit standpunt niet. Bij de beoordeling van aansprakelijkheid kijkt de civiele rechter namelijk of de schade in voldoende verband staat met de gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat moet worden beoordeeld of de schade ook zou zijn ontstaan als de gebeurtenis wordt weggedacht. Is dat niet het geval, dan is sprake van causaal verband.
De dader voerde aan dat het verband tussen zijn handelen en het overlijden te ver verwijderd was om hem daarvoor aansprakelijk te houden. De rechtbank wijst erop dat bij de vraag of de schade aan de dader kan worden toegerekend de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade moet meewegen.
In deze zaak ging het om ernstige strafbare feiten waarvoor de dader strafrechtelijk was veroordeeld. Bovendien had het slachtoffer als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel opgelopen waarvoor een operatie noodzakelijk was. Gelet op de ernst van het geweld en de gevolgen daarvan ziet de rechter redenen voor een ruime toerekening.
Volgens de rechtbank was daarom sprake van causaal verband. Als de overval niet had plaatsgevonden, had het slachtoffer niet hoeven vluchten. Als de dader hem tijdens die vlucht niet had vastgepakt en ten val had gebracht, was het ernstige knieletsel niet ontstaan. Zonder dat letsel was geen operatie nodig geweest en zonder die operatie zouden de complicaties die uiteindelijk tot het overlijden hebben geleid zich niet hebben voorgedaan.
Verder voerde de dader nog aan dat het slachtoffer een kwetsbare gezondheid had en mogelijk is overleden aan complicaties waaraan een gezonder persoon niet zou zijn overleden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In het civiele recht komt een bestaande kwetsbaarheid van het slachtoffer in beginsel voor rekening van de dader. Dat het slachtoffer door zijn gezondheidstoestand ernstiger gevolgen heeft ondervonden, doet daarom niet af aan het causale verband tussen de overval en zijn overlijden.
Welke schade werd vergoed?
De rechtbank kende aan iedere dochter een vergoeding voor affectieschade toe van € 17.500,00. Ook werden de uitvaartkosten toegewezen. Daarnaast moest de dader € 1.000,00 terugbetalen die het slachtoffer eerder onder druk aan hem had overgemaakt.
Niet alle vorderingen slaagden. Zo wees de rechtbank het gevorderde vererfde smartengeld af. Hoewel de dochters stelden dat van hun vader tijdens zijn ziekenhuisopname niet kon worden verwacht dat hij al aanspraak maakte op smartengeld, onder meer omdat de dader toen nog niet in beeld was, volgde de rechtbank hen daarin niet.
Smartengeld heeft een hoogstpersoonlijk karakter. Daarom geldt als uitgangspunt dat het slachtoffer zelf kenbaar moet maken dat hij hiervoor een vergoeding wenst. Alleen wanneer een slachtoffer na de schadeveroorzakende gebeurtenis niet meer bij bewustzijn is geweest en dit dus niet meer heeft kunnen aangeven, kan op deze regel een uitzondering worden gemaakt.
Volgens de rechtbank deed die uitzondering zich hier niet voor. Het slachtoffer was na de operatie nog bij bewustzijn en heeft bovendien wel aanspraak gemaakt op andere vormen van schadevergoeding. Daarom kon geen vererfd smartengeld worden toegewezen.
Ook de vordering van de ex-echtgenote voor misgelopen partneralimentatie werd afgewezen. Volgens de rechtbank geeft de wet slechts aan een beperkte groep nabestaanden recht op vergoeding van overlijdensschade. Deze groep moet strikt worden uitgelegd. Hoewel de ex-echtgenote op grond van een rechterlijke uitspraak nog alimentatie ontving van het slachtoffer, behoort zij niet tot de personen die op grond van artikel 6:108 BW aanspraak kunnen maken op deze schadevergoeding.
Conclusie
Deze uitspraak laat zien dat een strafrechtelijke veroordeling van grote waarde kan zijn in een latere civiele procedure. Feiten die in het strafproces al zijn vastgesteld, hoeven vaak niet opnieuw te worden bewezen, wat de bewijspositie van slachtoffers en nabestaanden aanzienlijk kan versterken.
Daarnaast laat deze uitspraak zien dat een strafzaak niet altijd bepalend is voor de uitkomst van een civiele procedure. Ook wanneer een strafrechter de dader niet verantwoordelijk houdt voor een overlijden, kan een civiele rechter alsnog oordelen dat de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van de dader komt. Voor slachtoffers en nabestaanden kan het daarom zinvol zijn om naast een strafprocedure ook de mogelijkheden van een civiele procedure te onderzoeken.
Tot slot onderstreept deze uitspraak het belang van tijdig juridisch advies. Met name bij ernstig letsel is het verstandig om vroegtijdig stil te staan bij mogelijke schadevergoedingsvorderingen, waaronder een eventuele aanspraak op smartengeld. Voor slachtoffers en nabestaanden kan dit later een belangrijk verschil maken.
Dit artikel is geschreven door
Femke van de Klok

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.