Drie werkgevers, één arbeidsongeval: wie draait op voor de schade?
Femke Uijen
23/3/26

Op 7 januari 2026 oordeelde de Rechtbank Den Haag over de vraag of de materiële en/of de formele werkgever aansprakelijk zijn voor de schade van een werknemer die letsel opliep op de werkvloer. U kunt hier de uitspraak teruglezen.
Wat is er gebeurd?
De werknemer is in april 2023 via een uitzendovereenkomst bij partij B gaan werken. Partij B is de formele werkgever. De werknemer werd op basis van een bestaande overeenkomst ingezet bij partij C, een groothandel in groenten en fruit. Partij C is de materiële werkgever. De werknemer verrichtte daar schoonmaakwerkzaamheden in het productiemagazijn, waaronder het reinigen van installaties met een hogedrukslang en chemicaliën. Ook een ander schoonmaakbedrijf, partij D, werkte bij partij C.
In de nacht van 5 op 6 mei 2023 is de werknemer een arbeidsongeval overkomen. De werknemer stootte zijn hoofd tegen de constructie van de machine terwijl hij onder de lopende band doorging. De werknemer is door zijn leidinggevende naar de EHBO-post gebracht waar hij is behandeld. Het ongeval is geregistreerd door de objectleider van partij D. Later heeft een onderzoeksbureau in opdracht van partij B onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval.
De werknemer vordert in de hoofzaak een verklaring voor recht dat zowel de formele, als de materiële werkgever, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op grond van artikel 7:658 lid 2 en 4 BW.
Vrijwaringszaken
Naast de hoofdzaak zijn twee vrijwaringsprocedures gevoerd, waarin de betrokken bedrijven onderling discussiëren wie uiteindelijk moet opdraaien voor de schade van het arbeidsongeval van de werknemer.
In de eerste vrijwaringszaak stelt partij B dat niet zij, maar partij C en/of schoonmaakbedrijf partij D verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op de werkplek. Als partij B aansprakelijk wordt gehouden tegenover de werknemer, wil zij dat partij C en/of partij D haar daarvoor volledig – of deels – vrijwaren.
In de tweede vrijwaringszaak schuift partij C de mogelijke aansprakelijkheid weer door naar partij D. Partij C stelt dat, als zij schade moet vergoeden, dit het gevolg is van tekortschieten door het schoonmaakbedrijf van partij D en dat partij D daarom die kosten moet dragen.
Kort gezegd, draaien de vrijwaringszaken om de vraag wie van de betrokken partijen de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid en de schade van de werknemer dient te vergoeden.
Beoordeling in de hoofdzaak
Dat partij B de formele werkgever is, staat niet ter discussie. Wel betwist partij C dat zij als materiële werkgever van de werknemer dient te worden aangemerkt. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
Vaststaat volgens de rechter dat de installaties die de werknemer moest schoonmaken, alsmede de hogedrukslangen waarmee hij dit moest doen, van partij C zijn. De rechter stelt dan ook vast dat partij C moet worden aangemerkt als materieel werkgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW. De schoonmaakwerkzaamheden vonden immers plaats op de locatie van partij C, met haar installaties en zij had invloed op de veiligheidsvoorschriften. Dat de schoonmaak was uitbesteed aan een derde, doet daaraan niet af volgens de rechter. Verder staat vast dat sprake was van een arbeidsongeval tijdens de werkzaamheden.
Omdat vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, zijn partij B en partij C daarvoor hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 2 en 4 BW, tenzij zij aantonen dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat het ongeval is gebeurd door opzet van de werknemer of omdat hij roekeloos heeft gehandeld, is gesteld noch gebleken.
Volgens de rechtbank hebben noch partij C, noch partij B aangetoond dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. Met name partij B heeft wel algemene trainingen en instructies verstrekt, maar onvoldoende rekening gehouden met het concrete veiligheidsrisico van het werken onder transportbanden met scherpe metalen randen. Specifieke waarschuwingen of eenvoudige preventieve maatregelen ontbraken.
Omdat beide partijen tekort zijn geschoten in hun zorgplicht, verklaart de rechtbank voor recht dat zij gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de schade die de werknemer door het ongeval heeft geleden en nog kan lijden. De rechtbank oordeelt dat zowel partij B (de formele werkgever) als partij C (de materiële werkgever) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de werknemer heeft geleden door het arbeidsongeval van 6 mei 2023.
Beoordeling in de vrijwaringszaak die partij B is gestart
Partij B is in de hoofdzaak jegens de werknemer veroordeeld, zodat aan een beoordeling van de vordering in vrijwaring wordt toegekomen. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat zowel partij C als partij D partij B moeten vrijwaren voor de schadevergoeding die partij B aan de werknemer moet betalen.
Ten aanzien van partij C oordeelt de rechtbank dat zij contractueel verantwoordelijk was voor het opstellen van adequate veiligheidsvoorschriften, het houden van toezicht en het geven van instructies op de werkvloer aan de uitzendkrachten tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden. Omdat het ongeval mede het gevolg was van het ontbreken daarvan, is partij C toerekenbaar tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens partij B op grond van artikel 6:74 BW en moet zij partij B daarvoor vrijwaren.
Partij B stelt dat partij D, naast partij C, als materieel werkgever van de werknemer hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op 6 mei 2023, omdat partij D de op haar rustende zorgplicht jegens de werknemer heeft geschonden. Volgens partij B moet partij D haar in hun onderlinge verhouding volledig vrijwaren, omdat partij D de leiding en de volledige zeggenschap had over de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden van de werknemer.
De rechtbank gaat hierin mee. De rechtbank komt tot het oordeel dat partij D tevens haar zorgplicht jegens de werknemer heeft geschonden. In de onderlinge verhouding tussen partij B en partij D komt de rechtbank tot het oordeel dat partij D volledig draagplichtig is voor de schade, omdat zij feitelijk toezicht hield op de werkzaamheden en het veiligheidsrisico had moeten signaleren en aanpakken. Daarom wordt ook de vrijwaringsvordering van partij B tegen partij D toegewezen.
Beoordeling in de vrijwaringszaak die partij C is gestart
In deze vrijwaringszaak gaat het om de vraag of partij D partij C moet vrijwaren voor al hetgeen waartoe partij C de werknemer mocht worden veroordeeld ter zake van de door de werknemer gestelde schade. Partij C is in de hoofzaak veroordeeld in verband met door de werknemer gestelde schade, zodat aan een beoordeling van de vordering in vrijwaring wordt toegekomen.
De rechtbank oordeelt dat partij D partij C volledig moet vrijwaren voor de schadevergoeding die partij C aan de werknemer moet betalen.
Net als in de eerste vrijwaringszaak stelt de rechtbank vast dat partij D als materieel werkgever van de werknemer moet worden aangemerkt en haar zorgplicht heeft geschonden. De werknemer was voor zijn veiligheid afhankelijk van partij D, terwijl partij D niet heeft aangetoond dat zij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen.
Bij de verdeling van de schade oordeelt de rechtbank dat de zorgplichtschending volledig aan partij D is toe te rekenen. Op grond van de tussen partij C en partij D geldende overeenkomst lag de dagelijkse begeleiding, het toezicht en de primaire verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving bij partij D.
Daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat partij D in de onderlinge verhouding 100% draagplichtig is en partij C volledig moet vrijwaren voor de schade die voortvloeit uit het arbeidsongeval van 6 mei 2023.
Conclusie: wie betaalt wat?
Voor de werknemer is de uitkomst van de gerechtelijke procedure duidelijk en gunstig. De rechtbank oordeelt dat zowel de formele werkgever (partij B) als de materiële werkgever (partij C) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die is ontstaan door het arbeidsongeval. Dat betekent dat de werknemer zijn volledige schadevergoeding bij ieder van hen afzonderlijk kan vorderen. De werknemer hoeft zich dus niet bezig te houden met de onderlinge verhoudingen tussen de bedrijven.
‘Achter de schermen’ ligt dat anders. In de vrijwaringsprocedures bepaalt de rechtbank wie uiteindelijk de rekening betaalt. De rechtbank komt tot het oordeel dat schoonmaakbedrijf partij D de schade volledig moet dragen. Zowel partij B als partij C dienen volgens de rechter door partij D volledig te worden gevrijwaard voor alles wat zij aan de werknemer moeten betalen.
Per saldo betekent dit dat de werknemer zijn volledige schade kan verhalen op partij B en/of partij C, maar dat partij D uiteindelijk opdraait voor de volledige schade van het arbeidsongeval.



