Arbeidsongeluk

Een ongeluk zit in een draaiende machine

Een recente uitspraak van de Rechtbank Overijssel ging over een werknemer die tijdens het reinigen van een langzaam lopende fileermachine met een hogedrukspuit met zijn hand in de machine terechtkwam en daarbij handletsel opliep. Centraal stond de vraag of het arbeidsongeval tot aansprakelijkheid leidde en, zo ja, welke partij daarvoor verantwoordelijk was.

Feiten en omstandigheden

De werknemer is op 6 april 2023 in dienst getreden bij een uitzendbureau. Dit uitzendbureau is gespecialiseerd in het leveren van personeel voor productie- en schoonmaakwerkzaamheden, met name in slachterijen en verwerkingsbedrijven. In de uitzendovereenkomst is opgenomen dat de werknemer als uitzendkracht ter beschikking zou worden gesteld aan een inlener, namelijk een pluimveeslachterij.

De productieruimte van de pluimveeslachterij wordt gereinigd door een schoonmaakbedrijf dat gespecialiseerd is in industriële schoonmaakwerkzaamheden voor slachthuizen. De schoonmaakwerkzaamheden worden dagelijks uitgevoerd nadat de slachtwerkzaamheden bij de pluimveeslachterij zijn afgerond.

Op 30 december 2023 heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden waarbij de werknemer met zijn hand in een (langzaam lopende) fileermachine terecht is gekomen. De werknemer is daarna door een collega naar het ziekenhuis gebracht, waar werd geconstateerd dat zijn linkerwijsvinger was gebroken en zijn hand uit de kom was.

Na het ongeval heeft de werknemer het schoonmaakbedrijf en de pluimveeslachterij aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval. Beide partijen hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Voorafgaand aan het ongeval

Voorafgaand aan het ongeval heeft de Arbeidsinspectie op 19 mei 2022 geconstateerd dat de Risico-inventarisatie en -evaluatie van het schoonmaakbedrijf niet volledig was en heeft zij aan het schoonmaakbedrijf een waarschuwing opgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft het schoonmaakbedrijf een bedrijf ingeschakeld om een nieuwe RI&E op te stellen voor alle zeven locaties waar het schoonmaakbedrijf reinigingswerkzaamheden uitvoert. Het schoonmaakbedrijf heeft hierna in overleg met de Arbeidsinspectie een nieuwe werkinstructie opgesteld. Vanaf 15 oktober 2023 beschikte het schoonmaakbedrijf over geactualiseerde RI&E’s.

Op 29 november 2023 heeft de Arbeidsinspectie een herinspectie uitgevoerd. De Arbeidsinspectie constateerde geen overtredingen, maar wees het schoonmaakbedrijf er wel op dat voorlichting, onderricht en toezicht blijvende aandacht vereisten.

Na het ongeval meldde de voormalig advocaat van de werknemer het ongeval op 12 januari 2024 bij de Arbeidsinspectie. Tijdens een inspectie op 17 januari 2024 werd het schoonmaakbedrijf bevolen de reinigingswerkzaamheden direct te staken. Nadat het schoonmaakbedrijf een aangepast reinigingsprotocol had overgelegd, werd het bevel diezelfde dag ingetrokken. Uit het onderzoeksrapport van de Arbeidsinspectie van 25 april 2024 volgde dat het schoonmaakbedrijf twee overtredingen had begaan: de reinigingswerkzaamheden waren uitgevoerd terwijl de machine niet was uitgeschakeld en spanningsloos was gemaakt, en het ongeval was niet tijdig gemeld. Vervolgens kreeg het schoonmaakbedrijf wegens recidive een bevel tot stillegging van de werkzaamheden voor de duur van één maand. De voorzieningenrechter oordeelde later dat dit bevel ten tijde van de zitting niet langer evenredig was, omdat het schoonmaakbedrijf nog verdere wijzigingen heeft doorgevoerd op haar bestaande veiligheidsbeleid.

Verder heeft voorafgaand aan het ongeval op 15 augustus 2023 op de locatie van de pluimveeslachterij een ander bedrijfsongeval plaatsgevonden, waarbij een werknemer van het schoonmaakbedrijf letsel aan zijn duim heeft opgelopen.

Wie is werkgever in de zin van artikel 7:658 BW?

De pluimveeslachterij betwist dat zij werkgeefster is van de werknemer.

Vaststaat dat het schoonmaakbedrijf haar werknemers inzet bij de pluimveeslachterij om daar schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Hoewel hierdoor naar het oordeel van de kantonrechter wel een verantwoordelijkheid op de pluimveeslachterij rust om het schoonmaakbedrijf voldoende informatie over haar machines te verstrekken, teneinde (mede) mogelijk te maken dat door het schoonmaakbedrijf een veilige werkomgeving kan worden gerealiseerd, betekent dit niet dat de pluimveeslachterij ook als materieel werkgeefster van de werknemer kan worden aangemerkt.

Daarbij neemt de kantonrechter in overweging dat de pluimveeslachterij onweersproken heeft gesteld dat het schoonmaakbedrijf haar werknemers opdracht geeft om bij de pluimveeslachterij schoon te maken en daarop toezicht houdt, dat de pluimveeslachterij niet weet welke werknemers het schoonmaakbedrijf inzet, niet aanwezig is en geen toezicht houdt tijdens de schoonmaakwerkzaamheden, dat het schoonmaakbedrijf instructies geeft aan haar werknemers over de wijze waarop zij hun werkzaamheden dienen uit te voeren en dat het schoonmaakbedrijf de materialen (zoals de slangen, lansen, spuitpistool, hogedrukspuit, chemicaliën, laarzen, pakken, handschoenen, etc.) aan haar werknemers ter beschikking stelt.

Dat leidt ertoe dat de pluimveeslachterij niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. De vorderingen van de werknemer jegens de pluimveeslachterij zijn daarom afgewezen.

Aansprakelijkheid van het schoonmaakbedrijf

Het schoonmaakbedrijf betwist niet dat de werknemer een bedrijfsongeval is overkomen, maar geeft aan dat zij de door de werknemer gestelde toedracht van het ongeval in twijfel trekt en er belang bij heeft de precieze toedracht van het ongeval te achterhalen. Zij wil vaststellen welke maatregelen mogelijk zijn om te voorkomen dat een dergelijk ongeval nog eens gebeurt.

De kantonrechter stelt voorop dat het aan de werknemer is om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, maar dat op hem geen (gemotiveerde) stelplicht rust ten aanzien van de precieze toedracht van het ongeval. Wanneer die toedracht onduidelijk blijft, komt dat niet voor rekening en risico van de werknemer, maar van de werkgever.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijfsongeval met de werknemer heeft plaatsgevonden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Door het schoonmaakbedrijf is daarnaast niet gesteld dat het ongeval is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer Dat betekent dat alleen de vraag of het schoonmaakbedrijf aan haar zorgplicht heeft voldaan nog aan de orde is.

Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan. Om aan te tonen dat zij aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan, moet het schoonmaakbedrijf stellen en zo nodig bewijzen dat zij alle maatregelen heeft genomen en alle aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om de schade te voorkomen. Artikel 7:658 lid 1 BW houdt een ruime zorgplicht in en eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (zie onder meer HR 11 april 2008, NJ 2008, 465). De zorgplicht van de werkgever beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en als gevolg daarvan niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De werknemer verklaart dat hij bij indiensttreding eerst twee dagen heeft meegelopen met een ervaren kracht en dat hij daarna zelfstandig mocht werken. Op de dag van het ongeval heeft hij eerst de kleppen geopend en daarna de hogedrukspuit gebruikt. Tijdens het schoonmaken liep de machine, zoals gebruikelijk was, langzamer dan de normale productiestand. De werknemer verklaart te zijn uitgegleden en vervolgens met zijn hand in de machine terecht te zijn gekomen. Hij betwist dat hij uitdrukkelijk is gewezen op veiligheidsinstructies. Hij heeft een maal iets moeten ondertekenen. Hij is gewaarschuwd met betrekking tot de kwaliteit van het schoonmaken, maar niet over de afstand tot de machine of het reiken in de machine.

Het schoonmaakbedrijf stelt dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar de verklaringen van getuigen waarin zou volgen dat de werknemer deugdelijk is ingewerkt en geïnstrueerd is, geen werkdruk heeft ervaren en dat er sprake was van voldoende toezicht. Verder wijst het schoonmaakbedrijf op de geactualiseerde RI&E, op de per locatie en machines Object RI&E’s, plan van aanpak en beschrijving activiteit, op de op schoonmaakpersoneel toegespitste werkinstructie, op het arbo-beleidsplan en op de werkwijze bij indiensttreding van een werknemer waarbij diverse documenten en persoonlijke beschermingsmiddelen zijn overhandigd. Verder wijst zij op de toolbox-meetingen, de periodieke risico-inventarisaties en evaluaties, op de herinspectie door de Arbeidsinspectie van 29 november 2023 en het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2024, waaruit blijkt dat het schoonmaakbedrijf haar werkwijze heeft aangescherpt. Volgens het schoonmaakbedrijf volgt hieruit dat zij haar werkwijze heeft verbeterd en dat redelijkerwijs geen verdere veiligheidsmaatregelen van haar konden worden verlangd. Zij voert daarbij aan dat sommige omstandigheden, zoals een gladde vloer en draaiende machines tijdens de schoonmaak onontkoombaar zijn, maar dat zij voldoende maatregelen treft om het gevaar te voorkomen.

Beoordeling

De kantonrechter stelt voorop dat de zorgplicht van het schoonmaakbedrijf moet worden beoordeeld naar het moment van het ongeval. Naar het oordeel van de kantonrechter is ten aanzien van het ongeval onvoldoende gebleken dat het schoonmaakbedrijf aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Daarvoor is van belang dat het schoonmaakbedrijf eerder is geconfronteerd met een ongeval en de arbeidsinspectie al in 2022 een waarschuwing heeft gegeven met betrekking tot het schoonmaken van de machines die niet worden stilgezet. Gelet daarop mocht van het schoonmaakbedrijf extra zorg voor haar werknemers worden verwacht, zoals het deugdelijk instrueren en waarschuwen en het voldoende toezicht houden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. Dit volgt ook uit de brief van de Arbeidsinspectie na de herinspectie, een maand voor het ongeval van de werknemer, waarin wordt benadrukt dat het punt van voorlichting, onderricht en toezicht een kwetsbaar punt is en dat het schoonmaakbedrijf bezig zal moeten blijven om het veiligheidsbewustzijn van haar werknemers te onderhouden en te vergroten.

Hoewel aan het schoonmaakbedrijf wordt toegegeven dat zij ook vóór het ongeval al positieve stappen had gezet door advies in te winnen en haar RI&E aan te passen, heeft zij volgens de kantonrechter onvoldoende kunnen onderbouwen dat zij de werknemer voldoende heeft geïnstrueerd over de wijze waarop de machine veilig kan worden schoongemaakt. Niet is gebleken dat zij de werknemer uitdrukkelijk en bij herhaling heeft gewaarschuwd voor de veiligheidsrisico’s en heeft gewezen op de veiligheidsinstructies, bijvoorbeeld door deze door de werknemer te laten ondertekenen. Evenmin is voldoende gebleken dat de werknemer heeft gezorgd voor voldoende toezicht op naleving van deze werkinstructies. De Arbeidsinspectie is ook tot de conclusie gekomen dat sprake is van een overtreding door het schoonmaakbedrijf door de werknemer reinigingswerkzaamheden te laten uitvoeren terwijl het systeem niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos was gemaakt, terwijl dit wel mogelijk was. Daardoor konden de werkzaamheden niet veilig worden uitgevoerd. Ook in het geval dat de werknemer met zijn hand in de machine zou hebben gereikt is sprake van een schending van de zorgplicht. Immers, een werkgever mag er niet al te zeer op mag vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid. Dat geldt ook voor een ervaren werknemer. De exacte toedracht van het ongeval kan daarom onder de gegeven omstandigheden in het midden blijven.

Het schoonmaakbedrijf heeft gewezen op het feit dat zij na het eerdere ongeval medio 2023 aan haar werknemers een vragenlijst heeft verstrekt, die de werknemer heeft ondertekend. Daarin worden echter voornamelijk vragen gesteld over de werksfeer en de bekendheid van werknemers met de risico's van het werk. De werknemer heeft bij de vraag of hij bekend is met de veiligheidsregels “Ja” ingevuld, maar uit deze vragenlijst blijkt niet welke veiligheidsregels gelden en evenmin welke concrete werkinstructies zijn gegeven. Een schriftelijke werk- of veiligheidsinstructie is niet door de werknemer ondertekend, hetgeen onder meer blijkt uit de verklaring van de getuigen. Daarnaast heeft het schoonmaakbedrijf aangevoerd dat regelmatig toolboxmeetings worden gehouden, maar uit de door haar overgelegde stukken (productie 6 bij het verweerschrift) blijkt echter dat deze enkel op 15 december 2023, 2 februari 2024 en 3 mei 2024 hebben plaatsgevonden. Daarvan is alleen de eerste meeting gehouden op een tijdstip gelegen voor het ongeval. Uit het verslag blijkt dat slechts vijf werknemers van daarbij aanwezig zijn geweest. De werknemer was niet aanwezig. Daaruit volgt niet dat de veiligheidsvoorschriften structureel met alle werknemers bij herhaling werden besproken en evenmin dat voldoende toezicht werd gehouden op de naleving daarvan. Verder is niet gebleken dat er op 30 december 2023 voldoende toezicht werd gehouden op de werkzaamheden van de werknemer. Dat vindt steun in de omstandigheid dat niemand getuige is geweest van het bedrijfsongeval van de werknemer en de werknemer de toezichthouder pas tegenkwam toen hij met zijn letsel in paniek de gang inliep. Dat het schoonmaakbedrijf haar veiligheidsbeleid na het ongeval (verder) heeft aangescherpt is positief, maar maakt niet dat zij ten tijde van het ongeval aan haar zorgplicht voldeed.

Conclusie

De kantonrechter is daarom van oordeel dat het schoonmaakbedrijf onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij alle maatregelen heeft genomen en alle aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs noodzakelijk waren om de schade te voorkomen. Daarmee heeft het schoonmaakbedrijf niet aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De gevorderde verklaring voor recht dat het schoonmaakbedrijf aansprakelijk is voor de door de werknemer geleden schade is daarom toegewezen.

Dit artikel is geschreven door
Willemijn Schut

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Bewijs

Letselschade­specialisten waar je op kunt bouwen

12.000+
Tevreden klanten


Dé letselschadespecialist van Zuid-Nederland.

12.000+
Zaken

Ruime ervaring met verkeersongevallen en bedrijfsletsel.

9.4
Op Trustoo

"JBA heeft ons dossier buitengewoon goed en effectief afgehandeld."

Gespecialiseerd en gecertificeerd

De advocaten van JBA zijn specialisten. Het kantoor is aangesloten bij het Keurmerk Letselschade.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.