Gemeente aansprakelijk voor schade nadat autohoogwerker een Delftse gracht in rijdt
Floor Straathof
19/5/26
De rechtbank Den Haag deed op 29 april jl. uitspraak in een zaak waarin gelukkig geen letsel werd opgelopen, maar die toch relevant kan zijn voor de letselschadepraktijk.
Wat gebeurde er?
Een werknemer van een infrastructuurbedrijf reed in september 2020 met een autohoogwerker naar een storing aan de straatverlichting in Delft. In een pas opgeleverde woonwijk reed hij tijdens schemering, nevel en natte weersomstandigheden een gracht in. De bestuurder verklaarde dat hij de gracht aanzag voor de weg, mede doordat sprake was van een verlaagde trottoirband, identieke bestrating en het ontbreken van waarschuwingssignalen of fysieke afscheidingen.
De bestuurder kwam met de schrik vrij, maar het voertuig raakte ernstig beschadigd. Allianz heeft de schade aan haar verzekerde vergoed en stelde de gemeente Delft als wegbeheerder aansprakelijk.
Wanneer is een gemeente aansprakelijk als wegbeheerder?
De rechtbank toetste de zaak aan artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Bij beide vormen van aansprakelijkheid draait het om de eisen die vanuit veiligheidsoogpunt aan de weg mogen worden gesteld. Geschreven (veiligheids)normen zijn daarbij relevant, maar niet doorslaggevend; het feit dat de wegbeheerder zich aan de voorschriften heeft gehouden, staat dus niet altijd aan aansprakelijkheid in de weg. Ook ongeschreven zorgvuldigheidsnormen zijn van belang. Daarbij moet een afweging worden gemaakt aan de hand van de zogenoemde ‘Kelderluikfactoren’.
Daarbij wordt onder meer gekeken naar:
• de kans dat weggebruikers onvoldoende oplettend zijn;
• de kans dat daardoor ongevallen ontstaan;
• de ernst van de mogelijke gevolgen;
• en de vraag hoe eenvoudig veiligheidsmaatregelen genomen hadden kunnen worden.
De rechtbank zoekt nadrukkelijk aansluiting bij de Kelderluikcriteria. Volgens de rechtbank was in dit geval aan meerdere van deze criteria voldaan.
Oordeel van de rechtbank
De gemeente voerde aan dat de locatie voldeed aan de CROW-richtlijnen (de richtlijnen voor de inrichting van de openbare weg). De rechtbank kwam desondanks tot het oordeel dat de weginrichting gevaarzettend was.
De rechtbank hechtte veel waarde aan de feitelijke inrichting van de locatie. Doorslaggevend was dat de trottoirband verlaagd doorliep richting de gracht, de rijbaan en stoep uit vrijwel dezelfde klinkers bestonden en dat de kleur- en structuurverschillen door regen, schemering en nevel nauwelijks zichtbaar waren.
Daarnaast waren geen paaltjes, relingen, markeringen, waarschuwingsborden of andere visuele signalen aanwezig die duidelijk maakten dat de weg ophield en een gracht begon.
De rechtbank overwoog expliciet dat een wegbeheerder rekening moet houden met het feit dat weggebruikers niet altijd maximale oplettendheid betrachten, zeker niet onder slechte weersomstandigheden of op onbekende locaties.
Geen eigen schuld van de bestuurder
De gemeente probeerde nog een beroep te doen op eigen schuld. Volgens haar had de bestuurder beter moeten opletten, mede omdat hij beroepsmatig reed en bekend mocht worden verondersteld met algemene risico’s in Delft, zoals grachten. De rechtbank ging daar niet in mee.
Van belang was dat de bestuurder stapvoets reed vanwege de slechte zichtomstandigheden en dat de rechtbank aannemelijk achtte dat hij de gracht daadwerkelijk niet kon waarnemen. Ook speelde mee dat hij als monteur juist ter plaatse moest zijn en dus niet “verboden” op het trottoir reed.
Eventuele onoplettendheid werd door de rechtbank als zeer beperkt aangemerkt en onvoldoende zwaar bevonden om tot eigen schuld te concluderen.
Opvallend: later alsnog veiligheidsmaatregelen
Een interessant detail in deze zaak is dat enkele maanden vóór het ongeval op dezelfde locatie al een vergelijkbaar ongeval had plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan had de gemeente echter geen veiligheidsmaatregelen getroffen.
De gemeente heeft in 2021, na klachten van buurtbewoners, alsnog zitelementen geplaatst bij de gracht. Hoewel de rechtbank hier niet expliciet uit afleidde dat de gemeente schuld erkende, onderstreept dit wel dat eenvoudige veiligheidsmaatregelen kennelijk mogelijk waren.
Dat woog mee in de beoordeling dat de gemeente relatief eenvoudig aanvullende veiligheidsvoorzieningen had kunnen treffen.
Conclusie
De rechtbank maakt in deze uitspraak duidelijk dat van een wegbeheerder mag worden verwacht dat gevaarlijke situaties tijdig worden onderkend en afdoende worden gemarkeerd, zeker wanneer relatief eenvoudige maatregelen ernstige schade kunnen voorkomen.
Het enkele voldoen aan richtlijnen zoals de CROW-normen biedt daarbij niet automatisch bescherming tegen aansprakelijkheid. Ook wanneer formeel aan richtlijnen is voldaan, kan een situatie alsnog onrechtmatig gevaarzettend zijn.
Heeft u vragen over dit onderwerp?
Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. Dat kan via telefoonnummer 073 - 690 08 88 of door een e-mailbericht te sturen naar info@jba.nl.