Overlijdensschade

Inzage in het medisch dossier door een nabestaande

Op 12 juni 2026 wees de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, een beschikking. De zaak ging om een verzoek van een nabestaande om inzage in het medisch dossier en om een verzoek tot het houden van een getuigenverhoor. De uitspraak is hier terug te lezen.

Waar ging deze zaak over?

Deze zaak ging om het volgende. Verzoekende partij was de vader van zijn in 2005 geboren dochter. De dochter kampte in haar jonge tienerjaren met faalangst, depressieve klachten, gedachten aan zelfbeschadiging en gedachten aan zelfdoding. Zij maakte in 2018 kennis met jongerenwerkers van een stichting die werkzaam waren op haar school. Ze kreeg een hechte band met twee jongerenwerkers, aan wie zij kenbaar maakte dat zij het leven als zwaar ervaarde.

In maart 2019 bezocht de dochter samen met haar moeder een huisartsenpraktijk in verband met verergerde psychische klachten. Er is gezamenlijk besloten dat zij zou doorgaan met het lopende ondersteuningstraject. Er vond beperkt diagnostiek plaats. Begin 2020 bezocht de dochter samen met haar moeder opnieuw de huisartsenpraktijk. Haar psychische klachten waren op dat moment verergerd. De huisars heeft de dochter op haar verzoek toen verwezen naar Yes We Can Clinics (YWCC), een instelling die jongeren met problemen behandelt. De dochter is daar in 2020 intensief behandeld. Begin 2021 werd zij door de huisarts doorverwezen naar een praktijk voor orthopedagogiek, dit ook op aanraden van YWCC. Zij heeft in die praktijk een EMDR-behandeling gevolgd. Daarna is een andere therapie geadviseerd, maar die is niet van de grond gekomen.

In het najaar van 2021 was er sprake van middelengebruik en van toename van psychische klachten bij de dochter. Zij heeft met een jongerenwerker de huisarts bezocht, die haar naar een praktijkondersteuner jeugd verwees. Er zou snel contact met haar worden opgenomen maar dit gebeurde niet. Toen een afspraak was ingepland verscheen de dochter niet en gaf zij aan dat zij nazorg van YWCC volgde en begeleiding door een praktijkondersteuner niet meer nodig was. Deze informatie is vervolgens niet gecontroleerd bij de huisarts of bij het YWCC. Het dossier is vervolgens door de praktijkondersteuner gesloten. Ondertussen ging het slechter met de dochter en is zij in februari 2022 opnieuw bij de huisarts geweest, die haar wederom naar de praktijkondersteuner verwees. De wachttijd bedroeg vier weken en de praktijkondersteuner bleek vervolgens langdurig afwezig wegens ziekte. Haar vervanger kon niet in de dossiers. In april 2022 heeft de dochter deze vervanger gezien maar deze kon nog steeds niet in haar dossier. Er is door deze vervanger overlegd met het wijkteam omdat het om een complexe casus ging.

In 2022 heeft de dochter zelfmoord gepleegd. Zij was toen 17 jaar oud. De gemeente heeft het overlijden gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Ondanks verzoeken van de vader van de dochter heeft de huisartsenpraktijk het overlijden niet gemeld bij de inspectie.

In januari 2024 bracht de inspectie een onderzoeksrapport uit over deze zaak met als conclusie dat de zorg en ondersteuning voor de dochter slechts gedeeltelijk passend is geweest. Hierbij zijn er zaken onvoldoende vastgelegd, waaronder over de samenwerking, de regie en de verantwoordelijkheid.

De vader van de dochter vroeg in mei 2024 om inzage in het medisch dossier van zijn dochter bij de huisarts. Die heeft dit geweigerd, onder meer omdat de dochter bij leven had kenbaar gemaakt dat zij niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische bezoeken en gezondheidstoestand. Ook ontbrak een zwaarwegend belang bij de vader, aldus de huisarts (r.o. 2.17). Hierop verzocht de vader de rechtbank om de huisartsenpraktijk te bevelen om hem een kopie van het medisch dossier van de dochter, voor zover dit zag op de zelfdoding en de psychische klachten van zijn dochter, te verstrekken. Ook vroeg hij om een voorlopig getuigenverhoor. De huisartsenpraktijk verzocht de rechtbank om beide verzoeken af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelde dat het vanuit menselijk oogpunt begrijpelijk is dat de vader in een uiterst verdrietige gebeurtenis als deze op zoek is naar antwoorden (r.o. 4.2.). Echter, het afgifteverzoek moet langs een juridische lat worden gelegd en moet dan voldoen aan specifieke voorwaarden, zoals geformuleerd in art. 7:458a en b BW.

Bij leven had de dochter toestemming tot inzage geweigerd. Dat betekent dat op die grond het medisch beroepsgeheim niet kon worden doorbroken (r.o. 4.4.). Vervolgens was het de vraag of de vader een zwaarwegend belang had bij zijn verzoek. Dit kan het geval zijn bij het vermoeden van een medische fout. De vader stelde dat dit het geval was omdat de huisartsenpraktijk volgens hem de ernst van de situatie van zijn dochter niet voldoende had onderkend en niet had besloten tot tijdige doorverwijzing (r.o. 4.5 en 4.6). De huisartsenpraktijk ontkende dit en stelde dat zij ook geen aanwijzingen had voor suïcidaliteit bij de dochter omdat zij die gedachten niet met de huisarts had gedeeld.

De rechtbank overwoog dat op basis van de bij de vader aanwezige informatie reële vragen open bleven staan, zoals de vraag of de huisartsenpraktijk wel voldoende oog had voor de veiligheid van de dochter, of haar klachten voldoende serieus zijn genomen, of het suïciderisico naar behoren is ingeschat, of er passend beleid is ingezet en of de behandeling niet onnodig is vertraagd. Ook bleek uit het inspectierapport dat de huisartsenpraktijk wel op de hoogte was van de suïcidale gedachten van de dochter omdat de jongerenwerkers dit aan de huisarts hebben verteld.

Daarmee bestond er, aldus de rechtbank, twijfel of de huisartsenpraktijk de zorg aan de dochter naar behoren heeft verleend. Dit betekent dat de vader het vermoeden dat de huisartsenpraktijk in de gegeven omstandigheden is tekortgeschoten voldoende aannemelijk had gemaakt. Inzage in het dossier was vervolgens ook noodzakelijk voor de behartiging van het belang van de vader. De rechtbank oordeelde op grond hiervan dat de vader het vereiste zwaarwegend belang daarmee voldoende aannemelijk had gemaakt en dat het inzageverzoek moest worden toegewezen op grond van art. 7:458a lid 1 sub c BW (r.o. 4.5-4.16). De bij leven door de dochter getuite wens om de ouders niet te informeren stond hieraan niet in de weg omdat dit zag om informatievoorziening tijdens haar leven en niet bleek dat zij hiermee ook bedoelde dat dit ook voor na haar overlijden moest gelden (r.o. 4.19-4.24).

Ten tweede wees de rechtbank ook het verzoek om een getuigenverhoor te houden toe. Ook hiervoor had de vader namelijk voldoende aan belang gesteld (r.o. 5.7-5.10).

Tot slot

Heeft u vragen over deze uitspraak of te maken met een soortgelijke kwestie? Neem dan contact met ons op via info@jba.nl.

Dit artikel is geschreven door
Dirk van der Wulp

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Bewijs

Letselschade­specialisten waar je op kunt bouwen

12.000+
Tevreden klanten


Dé letselschadespecialist van Zuid-Nederland.

12.000+
Zaken

Ruime ervaring met verkeersongevallen en bedrijfsletsel.

9.4
Op Trustoo

"JBA heeft ons dossier buitengewoon goed en effectief afgehandeld."

Gespecialiseerd en gecertificeerd

De advocaten van JBA zijn specialisten. Het kantoor is aangesloten bij het Keurmerk Letselschade.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.