Verkeersongeluk

Kop-staartbotsing door overstekende haas: wie is aansprakelijk?

Willemijn Schut

25/3/26

Een kop-staartbotsing lijkt juridisch vaak eenvoudig: de achteroprijdende partij is aansprakelijk. Maar wat als de voorligger remt vanwege een plots overstekend dier? In dit blog wordt een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag besproken waarin deze kwestie centraal staat.

Toedracht

Op 8 februari 2018 heeft een kopstaartbotsing plaatsgevonden waarbij verweerder (hierna: de achterop rijdende partij) met zijn auto achterop de auto van verzoeker (hierna: het slachtoffer) is gereden. De aanrijding vond plaats buiten de bebouwde kom, in een bocht en op een weg waar op dat moment een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold.

Partijen hebben diezelfde avond samen de voorkant van een aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend.

Op 18 februari 2018 heeft de achterop rijdende partij de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar Bovemij. De achterop rijdende partij heeft daarbij opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur en dat het slachtoffer aansprakelijk is, omdat hij “ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke of niet-logische oorzaak, namelijk een konijn. Na een eerste kort remmoment van verzoeker volgde een volledige stop”.

In december 2018 heeft het slachtoffer Bovemij aansprakelijk gesteld voor de door de aanrijding veroorzaakte schade. Bovemij stelde zich op het standpunt dat het slachtoffer zonder verkeersnoodzaak had geremd en wees aansprakelijkheid af.

Op 5 maart 2024 heeft, op verzoek van het slachtoffer, een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij zowel het slachtoffer als de achterop rijdende partij zijn gehoord.

Getuigenverhoor

Het slachtoffer verklaart dat hij bij een bepaalde bocht in de groenstrook iets zag bewegen. Vóór de bocht, en voordat hij die beweging waarnam, reed hij circa 50 km/u. In verband met de bocht en de beweging die hij zag, is hij gaan afremmen. Het was donker. Naar eigen zeggen heeft hij meer afgeremd dan voor de bocht noodzakelijk was, vanwege de waargenomen beweging, maar het betrof zeker geen noodstop. Hij is nog een stukje doorgereden met een snelheid van ongeveer 15 à 20 km/u. Hij zag nog steeds bewegingen in de groenstrook.

Wat later een dier bleek te zijn, rende een stukje bijna parallel aan de weg schuin vóór zijn auto mee. Vervolgens stak het dier vlak voor zijn auto de weg over. Toen het dier in het licht van de straatlantaarns en zijn koplampen kwam, zag hij dat het een haas was. Hij weet niet precies hoe groot de afstand was tussen zijn auto en de overstekende haas. Hij heeft de haas wel volledig kunnen zien, dus het kan niet zijn dat deze zeer vlak voor zijn auto overstak. Al met al schat hij de afstand op ongeveer 10 meter.

Hij reed op dat moment al langzaam en was nog steeds aan het remmen toen de haas overstak. Op dat moment hoorde hij een harde knal en werd hij van achteren aangereden.

De achterop rijdende partij verklaart dat de auto vóór hem stevig remde en dat hij de remlichten zag oplichten. Hij remde ook en kon in eerste instantie vaart verminderen. Vervolgens gingen de remlichten kort uit, waarna de auto opnieuw krachtig remde en volledig tot stilstand kwam. Hij remde eveneens krachtig, maar het opnieuw zo hard remmen van de auto vóór hem kwam onverwachts. Hij kon een botsing niet meer voorkomen. Tot slot verklaart hij dat, nadat hij de eerste keer stevig had geremd en de remlichten van de auto vóór hem weer doofden, de afstand tussen beide auto’s naar zijn schatting ongeveer 10 meter was.

Verzoek

Het slachtoffer betoogt dat de achteroprijdende partij op grond van artikel 6:162 BW en artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 onrechtmatig heeft gehandeld door zijn auto niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Bovemij stelt daartegenover dat het onzorgvuldige en onvoorzichtige rijgedrag van het slachtoffer in overwegende mate tot de aanrijding heeft geleid en dat het slachtoffer zelf aansprakelijk is.

Juridisch kader

Het uitgangspunt is dat degene die achterop rijdt, aansprakelijk is. Dat is echter niet altijd zo. Een aantal zaken spelen een rol bij de beantwoording van de vraag naar de aansprakelijkheid. Daar werd in de zaak van de overstekende eenden (Hof Amsterdam, 26 januari 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:BP6301) ook naar gekeken. Je mag niet plotseling hard remmen zonder verkeersnoodzaak.  Je mag als bestuurder wel remmen voor een overstekende eend maar daarbij moet je wel rekening houden de andere weggebruikers en dus met het feit dat er mogelijk iemand achter je rijdt.

Beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat zij vlak voor de aanrijding, na de eerste remming door het slachtoffer, een vrijwel gelijke en zeer gematigde snelheid hadden van circa 20 kilometer per uur. De achteroprijdende partij heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat er toen ongeveer 10 meter afstand tussen de auto’s zat en heeft gesteld dat hij met die snelheid slechts 8 meter nodig zou hebben gehad om zijn auto tot stilstand te brengen. Nu de aanrijding heeft plaatsgevonden, staat vast dat dit betoog niet kan kloppen.

Ook het standpunt van Bovemij dat de achteroprijdende partij niet tijdig kon stoppen omdat het slachtoffer geheel onverwachts en zonder verkeersnoodzaak remde, wordt verworpen. Het slachtoffer had al eerder afgeremd en beide auto’s reden daarna ongeveer even snel. Het slachtoffer benadrukt dat hij geen noodstop heeft gemaakt. Hoewel geen politieonderzoek heeft plaatsgevonden naar remsporen, vindt de rechtbank de lezing van het slachtoffer geloofwaardig. Zijn verklaring over het waarnemen van beweging in de groenstrook, het meebewegen van het dier en het uiteindelijk oversteken, ondersteunt zijn handelwijze.

Dat het slachtoffer zijn rijgedrag heeft aangepast aan een onzekere verkeerssituatie is begrijpelijk. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat het slachtoffer bij een snelheid van circa 20 kilometer per uur een noodstop heeft gemaakt. Ook het aanrijdingsformulier vermeldt geen plotselinge noodstop. Integendeel: beide partijen noteerden dat het slachtoffer eerst afremde en pas daarna stilstond vanwege het overstekende dier.

De achteroprijdende partij had in deze situatie moeten afwachten wat zijn voorligger zou doen. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij er ten onrechte van uitging dat niet verder zou worden geremd. Hierdoor liet hij zijn rem los en was hij onvoldoende alert. Het eerste remmoment en de daaropvolgende lage snelheid hadden juist aanleiding moeten zijn tot extra oplettendheid en het bewaren van voldoende afstand.

Het slachtoffer mocht zijn rijgedrag aanpassen vanwege het mogelijke gevaar van een overstekend dier. Dat hij wist dat iemand achter hem reed, ontslaat de achterop rijdende partij niet van zijn verplichting voldoende afstand te houden om tijdig te kunnen stoppen.

De rechtbank oordeelt dat de achteroprijdende partij een verkeersfout heeft gemaakt en onrechtmatig jegens het slachtoffer heeft gehandeld. Bovemij is daarom gehouden de geleden schade te vergoeden.

Conclusie

Bij een kop-staartbotsing blijft de hoofdregel gelden: de achteroprijdende partij moet voldoende afstand houden. Alleen wanneer een partij remt zonder verkeersnoodzaak kan dit anders liggen. In casu heeft de rechter echter geoordeeld dat er geen sprake was van een noodstop (zonder verkeersnoodzaak). Het eerste remmoment en de daaropvolgende lage snelheid hadden juist aanleiding moeten zijn tot extra oplettendheid en het bewaren van voldoende afstand door de achteroprijdende partij.

Dit artikel is geschreven door
Willemijn Schut

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.