Verzekeringsrecht

Kumamoto: Een verkenning van het Nederlandse schadeverzekeringsrecht aan de hand van een cultuurhistorische ramp

Op 28 juli 2026 trof een aardbeving met een voorlopige magnitude van 7,1 het zuiden van het Japanse eiland Kyushu. Het epicentrum lag in de prefectuur Kumamoto, die op de seismische schaal de maximale intensiteit 7 registreerde. Het bekendste slachtoffer onder het cultureel erfgoed was Kumamoto-jō, het kasteel dat de feodale heer Katō Kiyomasa in 1607 voltooide en dat sinds de dubbele bevingen van 2016 nog altijd in restauratie was. Delen van de karakteristieke keermuren zijn opnieuw ingestort en het herstelprogramma dat tot 2052 zou lopen, loopt vermoedelijk verdere vertraging op. Minstens zestien musea, galeries en culturele instellingen in de regio sloten tijdelijk hun deuren voor inspectie. Bij het Contemporary Art Museum Kumamoto verschoven mobiele tentoonstellingswanden, waardoor stof- en verfdeeltjes op enkele werken belandden. Die schade valt volgens het museum met reiniging en conservering te herstellen.

Voor de jurist die zowel kunst als verzekeringsrecht in de vingers heeft, dringt zich onmiddellijk een gedachte-experiment op. Stel dat het niet Kumamoto, maar 's-Hertogenbosch, Amsterdam of Rotterdam betrof. Zou de schade aan het monument, aan de inboedel, aan de bedrijfsinventaris van de galeries en, bovenal, aan de kunstwerken zelf, dekking vinden onder een Nederlandse verzekering? Het antwoord is genuanceerder dan de gangbare stelling dat aardbevingen niet verzekerd zijn doet vermoeden, en juist die nuance is voor de kunstwereld van belang.

De hoofdvraag en de systematiek

De vraag valt uiteen in vier deelvragen, telkens gekoppeld aan een verzekeringsproduct: de opstalverzekering voor het gebouw, de inboedelverzekering voor de particuliere huisraad, de inventaris- of goederenverzekering als het zakelijke pendant en de kostbaarheden- of kunstverzekering als de gespecialiseerde allriskdekking voor kunst en verzamelingen. Het antwoord verschilt per product, en dat verschil laat zich alleen begrijpen tegen de achtergrond van de verzekeringstechnische ratio die eraan ten grondslag ligt.

1. Opstal en inboedel: de aardbeving als klassieke catastrofe-uitsluiting

Voor de standaard woonhuis- en inboedelverzekering is het uitgangspunt helder: aardbevingsschade is uitgesloten. In vrijwel alle marktvoorwaarden keert dezelfde clausule terug, waarin schade door molest, atoomkernreacties, overstroming, aardbeving en vulkanische uitbarsting van dekking wordt uitgezonderd. De uitsluiting is bovendien voorzien van een opvallende bewijsrechtelijke constructie. Uitgesloten is niet alleen de schade die tijdens de beving ontstaat, maar ook de schade die zich openbaart binnen doorgaans vierentwintig uur nadat de gevolgen van de aardbeving zich in of nabij de verzekerde locatie hebben voorgedaan, tenzij de verzekerde bewijst dat de schade niet aan de aardbeving kan worden toegeschreven.

Deze bepaling verlegt de bewijslast. Waar de verzekeraar in het reguliere schaderecht het beroep op een uitsluitingsgrond moet stellen en bewijzen, hoeft hij hier slechts de temporele en geografische samenval van beving en schade aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan de verzekerde om de causale ontkoppeling te bewijzen. In een situatie van grootschalige, gelijktijdige schade, precies het scenario van Kumamoto, is dat een vrijwel onmogelijke opgave.

De ratio van deze uitsluiting is dogmatisch zuiver en historisch verankerd. Verzekeren berust op de wet van de grote getallen: de premie is calculeerbaar zolang de schadelast statistisch onafhankelijk en spreidbaar is. Een catastroferisico als een aardbeving doorbreekt beide voorwaarden. De schade is niet individueel maar gecorreleerd: één gebeurtenis treft duizenden polissen tegelijk. Dit cumulatierisico kan de solvabiliteit van een verzekeraar in één klap bedreigen. Bovendien ontbreekt voor natuurcatastrofes bruikbaar historisch schadecijfermateriaal, zodat een actuarieel verantwoorde premie zich niet laat vaststellen. Het is dezelfde redenering die de toenmalige Vereniging van Brandassuradeuren, de voorloper van het Verbond van Verzekeraars, in 1955 bij Bindend Besluit ertoe bracht het overstromingsrisico als technisch onverzekerbaar catastroferisico van dekking uit te sluiten. De aardbevingsuitsluiting deelt in die dogmatische stamboom.

2. De Nederlandse bijzonderheid: de geïnduceerde beving en de aansprakelijke partij

Hier wordt het gedachte-experiment specifiek Nederlands en juridisch interessant. Nederland kent geen tektonische aardbevingen van betekenis. De bevingen die ons land wél kent, zijn geïnduceerd: het gevolg van de gaswinning in het Groningenveld. En dat maakt een principieel verschil.

Waar de natuurlijke beving een geval van overmacht is zonder aanwijsbare veroorzaker, kent de geïnduceerde beving wél een aansprakelijke partij. Artikel 6:177 BW vestigt een risicoaansprakelijkheid op de exploitant van een mijnbouwwerk voor schade door bodembeweging als gevolg van de winning van delfstoffen. Daarmee verschuift de kwestie van het verzekeringsrecht naar het aansprakelijkheidsrecht. De schade is immers verhaalbaar, en dat is precies de reden waarom zij niet in het domein van natuurgeweld of molest thuishoort. De Groningse gedupeerde wendt zich dan ook niet tot zijn opstalverzekeraar, maar tot het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), het zelfstandig bestuursorgaan dat sinds 2020 op grond van de Tijdelijke wet Groningen de afhandeling van mijnbouwschade publiekrechtelijk kanaliseert, met behoud van de onderliggende civielrechtelijke aansprakelijkheid van de exploitant.

De verzekeringsmarkt heeft deze figuur inmiddels contractueel dichtgetimmerd. Waar men vroeger nog had kunnen betogen dat een door mensenhand geïnduceerde trilling geen aardbeving in de natuurwetenschappelijke zin is, definiëren moderne polisvoorwaarden het begrip inmiddels ruim. Zo rekent bijvoorbeeld de gebouwenverzekering van een grote marktpartij onder aardbeving uitdrukkelijk ook een trilling in het aardoppervlak die het gevolg is van winning van gas, olie, delfstoffen of zout. Daarmee is de uitsluiting sluitend gemaakt: zowel de natuurlijke als de geïnduceerde beving valt buiten de dekking. Het onderscheid werkt niet door in de dekking onder de woonpolis, die in beide gevallen ontbreekt, maar wél in de verhaalsroute daarnaast. Bij de natuurlijke beving rest slechts het overheidsvangnet, bij de geïnduceerde beving de aansprakelijke exploitant via het IMG.

3. De zakelijke inventaris- en goederenverzekering

Voor de galeriehouder of ondernemer die zijn bedrijfsinventaris verzekert, geldt in beginsel hetzelfde regime als voor de particuliere inboedel. De standaard zakelijke inventaris- en goederenverzekering volgt de catastrofe-uitsluiting, zodat aardbevingsschade aan winkel-, kantoor- of atelierinventaris niet gedekt is. Voor de museale en galeriepraktijk is dat echter niet het laatste woord, omdat collecties in de regel niet op een gewone inventarispolis maar op een gespecialiseerde beurspolis met fine-artvoorwaarden worden verzekerd. En daar kantelt het beeld.

4. De uitzondering voor de kunstwereld: de allrisk kunst- en kostbaarhedenverzekering

Dit is het punt dat de kunsthistoricus zal aanspreken, want hier wijkt de gespecialiseerde markt bewust af van de standaard. De kunstverzekering en de kostbaarhedenverzekering worden in het hogere segment gesloten op allriskbasis, een dekking tegen alle van buiten komende onheilen. Het uitgangspunt is daar omgekeerd ten opzichte van de woonpolis: niet alleen wat is genoemd is gedekt, maar alles wat niet uitdrukkelijk is uitgesloten is verzekerd.

Cruciaal is dat de toonaangevende fine-artverzekeraars aardbeving en overstroming juist niet uitsluiten, maar standaard meeverzekeren. Productbladen van gespecialiseerde kunst- en kostbaarhedenpolissen, waaronder de fine-artdekkingen die via gespecialiseerde volmachten en verzekeraars op de Nederlandse markt worden aangeboden, vermelden expliciet dat schade door aardbeving en overstroming onder de wereldwijde allriskdekking valt. De ratio is dat het hier gaat om individueel getaxeerde, geografisch gespreide en herverzekerbare objecten, waarbij het cumulatierisico beheersbaar is en de premiestelling het risico kan dragen.

De consequentie voor het gedachte-experiment is treffend. De verschoven tentoonstellingswanden en de neergedwarrelde verf- en stofdeeltjes op de werken in het Kumamoto-museum zouden onder een gewone Nederlandse inboedelverzekering nergens toe leiden. Onder een deugdelijke Nederlandse fine-art allriskpolis zou diezelfde schade, reinigings- en conserveringskosten daaronder begrepen, in beginsel wél gedekt zijn, mits de aardbeving niet contractueel is uitgezonderd. En bij de specialistische producten is dat juist niet het geval. Wie kunst bezit, doet er dus goed aan te beseffen dat de standaard woon- en inboedelpolis hem op dit punt in de steek laat, en dat de meerwaarde van een gespecialiseerde polis nu juist in de catastrofedekking schuilt.

5. Het overheidsvangnet: de Wet tegemoetkoming schade bij rampen

Voor de niet-verzekerbare, natuurlijke beving resteert het publiekrechtelijke vangnet van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) uit 1998. Deze wet noemt de aardbeving uitdrukkelijk als één van de gebeurtenissen, naast de overstroming door zoet water, die tot een tegemoetkoming door het Rijk kunnen leiden. Vier kanttekeningen zijn echter wezenlijk.

Ten eerste is de Wts geen verzekering maar een discretionair vangnet: de wet kan van toepassing worden verklaard wanneer sprake is van een ramp in de zin van de Wet veiligheidsregio's. Ten tweede komt uitsluitend schade in aanmerking die niet redelijkerwijs verzekerbaar, niet verhaalbaar en niet vermijdbaar is. Juist die drieslag verklaart waarom de Groningse mijnbouwschade buiten de Wts valt: die schade is immers verhaalbaar op de exploitant. Ten derde wordt op grond van de Wts nooit een volledige schadevergoeding toegekend. Ten vierde is de reikwijdte beperkt tot schade aan onder meer de woning, woonwagen of woonschip en de inboedel, en aan openbare infrastructuur. Een kunstcollectie als zodanig valt daar bezwaarlijk onder. Het vangnet biedt de kunstbezitter dus geen soelaas; diens redding ligt uitsluitend in de private allriskdekking.

6. Voor de fijnproever: uitleg en de grenzen van de uitsluiting

Ten slotte de dogmatische vraag die iedere verzekeringsrechtelijke analyse verdient: hoe hard is die aardbevingsuitsluiting eigenlijk? Twee leerstukken zijn hier bepalend.

Het eerste betreft de uitleg van de polisvoorwaarden. In beginsel geldt de Haviltex-maatstaf, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen. Bij standaardpolisvoorwaarden waarover niet is onderhandeld, verschuift het accent evenwel naar een meer geobjectiveerde uitleg. En bij consumentenovereenkomsten geldt bovendien de contra proferentem-regel van artikel 6:238 lid 2 BW: bij twijfel over de betekenis van een beding prevaleert de voor de consument gunstigste uitleg. Dat wapen is echter bot tegen een uitsluiting die, zoals de aardbevingsclausule, weinig ruimte voor twijfel laat.

Het tweede leerstuk betreft de aard van de uitsluiting. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt onderscheid gemaakt tussen de primaire dekkingsomschrijving, de afbakening van hetgeen de verzekeraar überhaupt heeft willen dekken, en een dekkingsuitsluiting daarbinnen. Tegen een beroep van de verzekeraar op de primaire dekkingsomschrijving kan de verzekerde slechts in uitzonderlijke gevallen met succes de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) inroepen. De verzekeraar mag immers zelf de grenzen bepalen van de risico's die hij bereid is te dragen. De catastrofe-uitsluiting is bij uitstek zo'n bewuste risicoafbakening, gedragen door de hierboven geschetste verzekeringstechnische ratio. Een beroep op onredelijkheid zal daartegen dan ook zelden slagen. Dat is geen toeval, maar de logische keerzijde van de onverzekerbaarheid: wat de markt collectief niet kán dragen, laat zich niet via de billijkheid alsnog op één verzekeraar afwentelen.

Slotsom

Het gedachte-experiment levert een consistent maar contra-intuïtief beeld op. Voor het gebouw, de particuliere huisraad en de zakelijke inventaris geldt dat de natuurlijke aardbeving is uitgesloten op grond van de catastrofe-uitsluiting. Ontstond de beving in Nederland door gaswinning, dan ontbreekt de dekking eveneens, maar resteert verhaal op de exploitant via het IMG en artikel 6:177 BW. De gespecialiseerde kunst- en kostbaarhedenverzekering op allriskbasis vormt de spreekwoordelijke uitzondering: die verzekert de aardbeving in beginsel juist wél mee, zij het altijd binnen de grenzen van het contractuele maatwerk. Het overheidsvangnet van de Wts kan bij een natuurlijke beving uitkomst bieden, maar alleen wanneer sprake is van een ramp én de schade niet verzekerbaar, verhaalbaar of vermijdbaar is, nooit volledig, en niet voor de geïnduceerde beving, waarvan de schade immers verhaalbaar is.

De gangbare stelling dat aardbevingsschade in Nederland niet verzekerd is, klopt dus voor het gebouw, de huisraad en de bedrijfsinventaris, maar niet voor de kunst. Juist het meest kwetsbare en meest waardevolle, het kunstwerk zelf, geniet, mits ondergebracht bij een gespecialiseerde allriskverzekeraar, wél bescherming tegen het catastroferisico dat de standaardmarkt principieel afwijst. De keermuren van een Nederlands Kumamoto zouden onverzekerd blijven; de schilderijen daarbinnen niet noodzakelijkerwijs.

Voor de kunstbezitter, de galeriehouder en de museale beheerder is de les even eenvoudig als kostbaar: vertrouw de collectie niet toe aan de dekking die voor het gebouw geldt. De catastrofe die de opstalpolis uitsluit, is precies de gebeurtenis waartegen de fine-artpolis bescherming biedt, en dat verschil kan, wanneer de aarde beeft, het verschil zijn tussen totaal verlies en volledig herstel.

Dit blog is bedoeld als algemene juridische beschouwing en niet als concreet verzekerings- of juridisch advies. De precieze dekking hangt altijd af van de individuele polisvoorwaarden, die per verzekeraar en per product verschillen.

Dit artikel is geschreven door
Edgar Mulders

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Bewijs

Letselschade­specialisten waar je op kunt bouwen

12.000+

Tevreden klanten


Dé letselschadespecialist van Zuid-Nederland.

12.000+

Zaken

Ruime ervaring met verkeersongevallen en bedrijfsletsel.

9.4

Op Trustoo

"JBA heeft ons dossier buitengewoon goed en effectief afgehandeld."

Gespecialiseerd en gecertificeerd

De advocaten van JBA zijn specialisten. Het kantoor is aangesloten bij het Keurmerk Letselschade.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.