
De rechtbank Rotterdam heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de vraag centraal stond of een causaal verband kon worden aangenomen tussen een low impact-aanrijding en de gezondheidsklachten van het slachtoffer.
Feiten en omstandigheden
Het slachtoffer is op 16 juli 2009, terwijl zij stilstond in haar personenauto, aan de voorzijde aangereden door een vrachtwagen die vóór haar stond en onverwacht achteruitreed.
De geschatte snelheidsverandering bij de aanrijding was gering (een delta v van 2,0 tot 4,5 km/uur). Ook de schade aan de auto van het slachtoffer was beperkt, hoewel de auto total loss is verklaard. Na de aanrijding heeft het slachtoffer gezondheidsklachten ontwikkeld en is zij arbeidsongeschikt verklaard.
Op verzoek van de rechtbank zijn in het verleden deskundigenberichten uitgebracht door een orthopedisch chirurg en een neuroloog. In een laatste tussenvonnis heeft de rechtbank een psychiatrisch deskundigenonderzoek bevolen, omdat de neuroloog had aangegeven dat bij het slachtoffer mogelijk sprake was van een psychiatrische aandoening, namelijk een zogenoemde functioneel-neurologische symptoomstoornis, die zich kenmerkt doordat het slachtoffer haar rechterarm in een rechte hoek gefixeerd houdt.
Klachten van het slachtoffer
De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat het slachtoffer kort na de aanrijding pijnklachten in de nek(spieren) en de rechterarm heeft ontwikkeld. Daarnaast is bij haar na enkele weken een frozen shoulder rechts ontstaan, die vervolgens is gevolgd door een algehele, niet-gesimuleerde fixatie van de rechterelleboog.
Oordeel rechtbank causaal verband
De rechtbank komt hierna toe aan de beoordeling van de vraag of de pijnklachten van het slachtoffer aan nek en rechterarm zoals door haar na het ongeval gemeld, de frozen shoulder rechts en vervolgens de gefixeerde elleboog rechts als een gevolg kunnen worden beschouwd van de aanrijding. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij doet dat in de eerste plaats op grond van de overwegingen in het deskundigenbericht van de neurologische expertisearts.
Het rapport van de expertisearts biedt voor de rechtbank voldoende steun voor de conclusie dat het causaal verband tussen de aanrijding van het slachtoffer en haar uiteindelijke klacht van een in een vaste hoek gefixeerde, onbeweeglijke rechterarm, in juridische zin vaststaat.
Een causaal verband kan worden aangenomen, als voldoende aannemelijk is dat het gevolg niet zou zijn ingetreden als de aanrijding niet zou hebben plaatsgevonden. Die situatie doet zich hier volgens de rechtbank voor.
De pijnklachten in de nek en de rechterarm van het slachtoffer zouden zeer waarschijnlijk niet zijn opgetreden als zij niet zou zijn aangereden. De frozen shoulder zou vervolgens niet zijn niet zijn ontstaan, als het slachtoffer de bedoelde pijnklachten niet zou hebben gehad. Ten slotte is de gefixeerde rechter elleboog volgens de expertisearts door de inactiviteit van de rechterarm, en daardoor weliswaar secundair en als een indirect gevolg, maar desalniettemin als gevolg aan te merken van de aanrijding, omdat zonder de aanrijding geen inactiviteit van de arm en schouder zou zijn opgetreden en dus niet uiteindelijk de gefixeerde rechterelleboog zoals bij het slachtoffer vastgesteld. Er is in dit geval sprake van een causale keten van gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de gefixeerde onwillekeurige samenspanning van de rechterelleboog van het slachtoffer, met de fysieke beperking die zij daarvan ondervindt als gevolg.
Dit is volgens de rechtbank dan ook een voorbeeld van een geval waarbij een kleine gebeurtenis (aanrijding met een lage impact) heeft geleid tot een ingrijpend en daardoor groot gevolg. Aan het in juridische zin aannemen van causaal verband tussen de eerstgenoemde gebeurtenis en dit latere gevolg staat dat echter niet in de weg.
Wat de psychiatrische expertisearts in het door hem uitgebrachte deskundigenbericht over de medische causale relatie van de functiestoornis in de rechterarm heeft overwogen doet aan het voorgaande niet af. Door de psychiatrische expertisearts is nagegaan of een medische verklaring kan worden gegeven voor het ontstaan van de door hem gediagnosticeerde gefixeerde dystonie in de rechterarm. Hij is tot de conclusie gekomen dat een ongeval in het algemeen is te beschouwen als een triggering event voor een stoornis als hier aan de orde en dat het ongeval van 16 juli 2009 op zich ook zou kunnen worden beschouwd als “triggering event” van de stoornis van het slachtoffer . Daaraan heeft hij echter toegevoegd dat daartegen pleit dat de gefixeerde dystonie bij het slachtoffer zich meest waarschijnlijk pas enkele weken na het ongeval heeft ontwikkeld en er aldus geen duidelijke of voldoende eenduidige psychische stressfactor kan worden geconstateerd. Zijn conclusie is dat een “direct medisch causale relatie” tussen de klachten en het ongeval daarom niet vaststaat althans niet kan worden vastgesteld.
Zoals hiervoor beschreven, is het volgens de rechtbank voor het aannemen van (juridisch) causaal verband tussen in dit geval een verkeersongeval en het daarna aangetroffen letsel niet vereist dat een “direct medisch causale relatie” kan worden aangewezen, maar is ook van causaal verband sprake als tussen letsel en ongeval met redelijke mate van waarschijnlijkheid een indirecte oorzaak-gevolg relatie bestaat in de zin dat kan worden aangenomen dat het gevolg, het letsel, niet zou zijn ontstaan als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden.
Migraineklachten als alternatieve oorzaak
Allianz heeft nog aangevoerd dat de migraineklachten die het slachtoffer twee jaar vóór het ongeval had, mogelijk als triggering event voor de functioneel-neurologische symptoomstoornis konden worden aangemerkt.
De psychiatrische deskundige heeft hierover aangegeven dat hij tijdens zijn onderzoek niet specifiek heeft onderzocht of de migraineklachten een alternatieve trigger konden vormen. Indien dit alsnog onderzocht zou moeten worden, zou dat volgens hem bij voorkeur door een neuroloog moeten gebeuren.
De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor een nieuw deskundigenonderzoek. Het tijdsverloop tussen de migraineklachten en de functiestoornis is aanzienlijk langer dan het tijdsverloop tussen de aanrijding en het ontstaan van de klachten. Er is voorts niet vastgesteld dat het slachtoffer in de periode van twee jaar voor het ongeval migraine heeft gehad.
Er bestaat daarom onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de migraineklachten van twee jaar vóór het ongeval tot het ontstaan van de gebogen gehouden rechterelleboog bij het slachtoffer hebben geleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat geen van de geraadpleegde deskundigen een verband heeft gelegd tussen de eerdere migraineklachten en het ontstaan van de functioneel-neurologischsymptoom stoornis.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat causaal verband bestaat tussen de aanrijding en de vastgestelde klachten van het slachtoffer.
Tot slot
Deze uitspraak bevestigt dat een geringe impact van een verkeersongeval niet zonder meer aan het aannemen van causaal verband tussen het ongeval en de klachten van het slachtoffer in de weg staat. Ook het hof Arnhem-Leeuwarden heeft eerder geoordeeld een geringe delta v op zichzelf niet per definitie in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen de pijnklachten en het ongeval.
Daarnaast is voor het aannemen van juridisch causaal verband niet vereist dat sprake is van een directe medische causale relatie tussen het ongeval en de klachten. Ook een indirecte oorzaak-gevolgrelatie kan voldoende zijn, indien aannemelijk is dat de klachten zonder het ongeval niet zouden zijn ontstaan.



