Noodweer of onrechtmatige daad? Rechtbank Rotterdam over aansprakelijkheid na een festivalruzie
Sophie Zuidam
1/7/26

Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam geoordeeld over de vraag of een festivalbezoeker aansprakelijk is voor de schade van een andere bezoeker die tijdens een handgemeen letsel opliep. De uitspraak, die op 29 juni 2026 is gepubliceerd, laat mooi zien hoe streng een beroep op noodweer wordt beoordeeld in een civiele aansprakelijkheidsprocedure. De uitspraak is hier terug te lezen.
De feiten
Op 2 september 2023 vond tijdens een festival in Rotterdam een handgemeen plaats tussen twee bezoekers. Daarbij liep één van hen letsel op. Vaststaat dat de gedaagde de benadeelde een klap heeft gegeven. De vraag die de rechtbank moest beantwoorden was of deze klap onrechtmatig was, of dat sprake was van noodweer.
Standpunten van partijen
Volgens de benadeelde heeft de gedaagde hem zonder enige aanleiding geslagen. Daarmee heeft de gedaagde volgens hem onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de geleden schade. De gedaagde stelde daarentegen dat hij uit noodweer handelde. Volgens hem was het juist de benadeelde die de confrontatie zocht door hem bij de nek te grijpen en meerdere malen naar hem uit te halen. Ter onderbouwing legde hij een schriftelijke getuigenverklaring en foto's van zijn eigen letsel over.
De benadeelde schetste echter een ander verloop van de gebeurtenissen. Volgens hem kreeg hij eerst zonder aanleiding een klap. Pas daarna rende hij achter de gedaagde aan en greep hij hem bij de nek. Volgens de benadeelde zag de door de gedaagde opgevoerde getuige alleen dit tweede moment en niet de eerdere klap. Daarnaast verwees de benadeelde naar twee processen-verbaal waarin andere getuigen verklaren dat de gedaagde hem direct en zonder aanleiding in het gezicht sloeg. Uit deze verklaringen blijkt niet dat de benadeelde voorafgaand aan de klap geweld had gebruikt of de gedaagde had aangevallen.
De eerdere strafbeschikking
Voordat de civiele procedure aanhangig werd gemaakt, had de benadeelde al aangifte gedaan van mishandeling. De officier van justitie legde de gedaagde vervolgens een strafbeschikking op van € 1.000 wegens mishandeling. Tijdens de OM-hoorzitting werd het beroep op noodweer al verworpen.
Dat is juridisch relevant. Een strafbeschikking is immers geen strafvonnis. Anders dan een strafvonnis wordt een strafbeschikking niet door de strafrechter uitgesproken, maar door de officier van justitie. Bij relatief eenvoudige strafzaken wordt vaak voor deze route gekozen. Hoewel een strafbeschikking geen dwingende bewijskracht heeft zoals een strafvonnis, kan zij in een civiele procedure wel degelijk gewicht in de schaal leggen.
Het juridisch kader
De vordering is gebaseerd op artikel 6:162 BW: de onrechtmatige daad. Wie zonder rechtvaardigingsgrond inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van een ander, handelt in beginsel onrechtmatig en is aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade.
Dat ligt anders wanneer sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zoals noodweer. Daarvoor moet sprake zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Degene die zich op noodweer beroept, zal die omstandigheden voldoende moeten stellen en, als zij worden betwist, ook moeten bewijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat daadwerkelijk sprake was van noodweer. Daarbij weegt mee dat de benadeelde zijn lezing uitvoerig heeft onderbouwd met zijn aangifte en de verklaringen van twee onafhankelijke getuigen. Van de gedaagde had daarom mogen worden verwacht dat hij concreet zou reageren op de stelling dat het grijpen bij de nek pas ná de klap plaatsvond. Dat heeft hij niet gedaan. Ook de door de gedaagde overgelegde getuigenverklaring en foto's overtuigen de rechtbank niet. De foto's bieden onvoldoende steun voor zijn lezing van de gebeurtenissen en het zichtbare letsel kan volgens de rechtbank net zo goed zijn ontstaan tijdens de latere worsteling.
Daarnaast kent de rechtbank betekenis toe aan het feit dat de officier van justitie het beroep op noodweer eerder al heeft verworpen bij het opleggen van de strafbeschikking. Hoewel een strafbeschikking niet dezelfde bewijskracht heeft als een strafvonnis, volgt uit de wetsgeschiedenis dat een onherroepelijke strafbeschikking in een civiele procedure wel meer dan gemiddelde bewijskracht toekomt.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de gedaagde uit noodweer heeft gehandeld. Daarmee ontbreekt een rechtvaardigingsgrond en is sprake van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. De gedaagde is daarom aansprakelijk voor de schade die de benadeelde als gevolg van de mishandeling heeft geleden.
Deze uitspraak laat zien dat een beroep op noodweer niet snel wordt aangenomen. Wie zich daarop beroept, zal zijn lezing van de feiten zorgvuldig moeten onderbouwen. Zeker wanneer de wederpartij wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen, is een enkele eigen verklaring of een beperkt aantal foto's doorgaans onvoldoende om een beroep op noodweer te laten slagen.



