Roekeloos rijgedrag en de rekening: mag de verzekeraar verhalen op de bestuurder?
Femke Uijen
29/4/26
Op 21 april 2026 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam over de vraag wanneer sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW en de gevolgen daarvan voor de verhaalsmogelijkheden van een WAM-verzekeraar. In het bijzonder stond centraal of een verzekeraar de door haar vergoede schade kan verhalen op de bestuurder van een huurauto na een verkeersongeval. U kunt het arrest hier teruglezen.
Waar gaat het om?
De zaak draait om een verkeersongeval in Amsterdam waarbij een fietser ernstig letsel opliep. De bestuurder van een huurauto reed door rood licht en botste met de fietser. Vaststaat dat de bestuurder aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde, te hard reed (61–68 km/u waar 50 km/u was toegestaan) en te laat remde, namelijk pas toen hij de fietser raakte.
De auto was WAM-verzekerd. De verzekeraar heeft de schade van het slachtoffer vergoed, maar stelde zich vervolgens op het standpunt dat zij deze schade kon verhalen op de bestuurder. De verzekeraar heeft de bestuurder daarom bericht dat zij van mening is dat de bestuurder roekeloos heeft gereden en dat de bestuurder de schade die het gevolg is van het ongeval en door de verzekeraar is vergoed, aan haar moet terugbetalen. De bestuurder heeft dit van de hand gewezen.
Volgens de verzekeraar was echter wel degelijk sprake van roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW en de polisvoorwaarden. Dit is juridisch relevant, omdat een verzekeraar bij roekeloosheid onder omstandigheden dekking kan weigeren en in het kader van de WAM regres kan nemen op de aansprakelijke persoon (artikel 15 lid 1 WAM). Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld.
Hoe oordeelde de rechtbank in eerste aanleg?
Bij de rechtbank in eerste aanleg heeft de verzekeraar onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat de bestuurder bij het veroorzaken van het ongeval roekeloos heeft gehandeld en gehouden is alle schadevergoeding die de verzekeraar als gevolg van het ongeval dient te betalen, aan de verzekeraar dient te vergoeden. Bij vonnis van 5 januari 2022 zijn bij verstek alle vorderingen van de verzekeraar toegewezen.
De bestuurder is tegen dat vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat de verzekeraar geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat de bestuurder roekeloos heeft gehandeld in de zin van de polisvoorwaarden en/of artikel 7:952 BW, zodat het beroep van de verzekeraar op de uitsluitingsclausule vanwege opzet of roekeloosheid faalt. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd en alle vorderingen van de verzekeraar alsnog afgewezen.
Hoger beroep
De verzekeraar stelde vervolgens hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank en vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen.
De verzekeraar voerde aan dat het gedrag van de bestuurder, namelijk door rood rijden, te hard rijden en onvoldoende opletten, wél als roekeloos moest worden aangemerkt.
De verzekeraar vorderde in hoger beroep alsnog toewijzing van haar regresvordering. Daarbij beriep zij zich onder meer op de polisvoorwaarden, artikel 7:952 BW en artikel 15 lid 1 WAM (regresmogelijkheid). Volgens de verzekeraar mocht de bestuurder niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van roekeloos handelen door een verzekering zou worden gedekt.
De bestuurder bestreed dit en stelde dat zijn gedrag weliswaar verwijtbaar was, maar niet het vereiste niveau van roekeloosheid bereikte.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Daarbij geeft het hof een uitgebreide uitleg van het begrip roekeloosheid.
Het hof sluit voor uitleg van het begrip ‘roekeloosheid’ aan bij artikel 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld.
Daarnaast kan ook sprake zijn van zogenoemde onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn.
Belangrijk is dat de invulling van roekeloosheid afhankelijk is van de context, in dit geval de WAM en verzekeringsrechtelijke verhoudingen. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de verplichte WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt.
Toepassing op de feiten
Hoewel het gedrag van de bestuurder ernstig was, oordeelt het hof dat dit niet voldoet aan de hoge drempel van roekeloosheid.
Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest, is vereist dat de bestuurder zich, in elk geval in zekere mate, bewust was van zijn handelen. Of de bestuurder zich bewust was van de aanmerkelijke kans op schade mag in dat geval naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Voldoende daarvoor is dat de bestuurder zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn.
Het hof weegt dat bestuurder ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat de bestuurder in de hiervoor bedoelde zin roekeloos heeft gehandeld. Ondanks dat het gedrag weliswaar gevaarzettend was volgens het hof, was dit gedrag niet zodanig dat het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op schade kan worden aangenomen.
Het hof komt tot de conclusie dat het handelen van de bestuurder dat heeft geleid tot het ongeval niet als opzettelijk of als roekeloos kan worden aangemerkt. Er is daarom geen grond op basis waarvan de bestuurder niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid niet door de verzekering was gedekt. Het beroep van de verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt.
Conclusie
Dit arrest bevestigt dat de lat voor het aannemen van roekeloosheid in het verzekeringsrecht hoog ligt. Zelfs ernstig en gevaarlijk verkeersgedrag, zoals door rood rijden met een te hoge snelheid, is niet zonder meer voldoende om roekeloosheid aan te nemen. Geconcludeerd kan worden dat niet elk ernstig verkeersgedrag de deur opent naar regres voor de verzekeraar.
Heeft u vragen over dit onderwerp?
Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. Dat kan via het telefoonnummer boven in beeld of door een e-mailbericht te sturen naar info@jba.nl.