Algemeen

Van oog naar bewijs. Hoe de kunstgeschiedenis haar gezag opnieuw moet uitvinden

Wie bepaalt wat echt is?

Een schilderij kan eeuwenlang onopgemerkt in een particuliere verzameling hangen. Het kan worden verkocht, geërfd, gerestaureerd en opnieuw van eigenaar wisselen zonder dat iemand aan de authenticiteit twijfelt. Totdat een deskundige een ander oordeel velt. Vanaf dat moment verandert niet het schilderij, maar alles daaromheen. De marktwaarde kan instorten of juist explosief stijgen. Musea trekken bruiklenen in, verzekeraars passen taxaties aan en verzamelaars zien zich geconfronteerd met de vraag of zij eigenaar zijn van een meesterwerk of van een waardeloze kopie.

Dat is een opmerkelijk verschijnsel. In weinig wetenschappelijke disciplines hebben interpretaties zulke directe gevolgen buiten het vakgebied zelf. Een historicus die een nieuwe visie op de Bataafse Opstand ontwikkelt, verandert de geschiedenis niet. Een archeoloog die een Romeinse nederzetting anders dateert, verplaatst geen steen. Maar een kunsthistorisch oordeel kan de maatschappelijke werkelijkheid van een object ingrijpend veranderen. Authenticiteit is daarom meer dan een kunsthistorisch vraagstuk. Zij heeft economische, juridische en culturele gevolgen die ver buiten de discipline reiken.

Daarmee dringt zich een andere vraag op. Niet of een schilderij authentiek is, maar hoe wij vaststellen dat het authentiek is. Anders gezegd: waarom accepteren wij dat het oordeel van sommige deskundigen zoveel gewicht krijgt? Die vraag is minder vanzelfsprekend dan zij lijkt. Anders dan een rechter of een notaris bezit een kunsthistoricus geen wettelijke bevoegdheid om bindende beslissingen te nemen. Een authenticiteitsoordeel is in juridische zin niet meer dan een deskundigenoordeel. Toch wordt het in de praktijk vaak behandeld alsof het meer is dan dat. Veilinghuizen baseren er hun catalogi op, musea hun aankopen en verzamelaars hun investeringen. De invloed van een gezaghebbende expert berust dus niet op formele macht, maar op iets moeilijkers te definiëren: vertrouwen.

Dat vertrouwen heeft de kunstgeschiedenis lange tijd georganiseerd rond de figuur van de connaisseur. Gedurende de twintigste eeuw gold diens geoefende oog als het belangrijkste instrument voor de beoordeling van authenticiteit. De ervaren kenner onderscheidde zich niet door een vaste methode, maar door jarenlange vertrouwdheid met het oeuvre van één kunstenaar of één stroming. Hij kende de schilderijen uit eigen waarneming, had archieven bestudeerd, restauraties gevolgd en duizenden vergelijkingen gemaakt. Zijn oordeel was gezaghebbend omdat men aannam dat hij zag wat anderen ontging.

Het belang van dat connaisseurschap kan moeilijk worden overschat. Zonder deze specialisten zou de kunstgeschiedenis er anders hebben uitgezien. Zij reconstrueerden oeuvres, corrigeerden verkeerde toeschrijvingen en brachten orde aan in een vakgebied waarin bronnen vaak onvolledig waren en technische analysemethoden nog nauwelijks beschikbaar. Het moderne catalogue raisonné is in belangrijke mate het resultaat van hun werk. Juist daarom is het opvallend dat de positie van de connaisseur de afgelopen decennia onderwerp van discussie is geworden. Dat heeft minder te maken met de kwaliteit van individuele experts dan vaak wordt aangenomen. De meeste vooraanstaande connaisseurs beschikken nog altijd over een uitzonderlijke kennis van hun onderwerp. Wat is veranderd, is de manier waarop wetenschappelijk gezag wordt gelegitimeerd.

In vrijwel alle wetenschappelijke disciplines is de nadruk verschoven van autoriteit naar methode. Niet de reputatie van de onderzoeker overtuigt, maar de mogelijkheid zijn redenering te volgen en zijn conclusies te toetsen. Ook de kunstgeschiedenis ontkomt niet aan die ontwikkeling. Stilistische analyse blijft onmisbaar, maar wordt steeds vaker aangevuld met archiefonderzoek, provenanceonderzoek, restauratiegeschiedenis en natuurwetenschappelijke technieken. Het oordeel van de expert is daardoor minder het eindpunt van het onderzoek geworden dan de uitkomst van een zorgvuldig opgebouwde argumentatie. Dat lijkt een technische ontwikkeling, maar zij raakt aan een fundamenteler vraagstuk. Wanneer verandert een deskundigenoordeel in een algemeen aanvaarde waarheid? Welke rol spelen instituties daarbij? En hoe ontstaat het gezag dat nodig is om een wetenschappelijke conclusie ook maatschappelijk gezag te geven? Die vragen staan centraal in dit essay. De recente publicatie van Marc Restellini's catalogue raisonné van Amedeo Modigliani vormt daarvoor de aanleiding. Wie wil begrijpen waarom deze publicatie meer betekent dan een nieuw overzicht van het oeuvre van één kunstenaar, moet eerst begrijpen hoe het gezag van de moderne connaisseur is ontstaan. Dat verhaal begint niet bij Modigliani. Het begint bij Wildenstein.

Hoe gezag ontstaat

Dat een klein aantal kunsthistorici zo'n grote invloed kon uitoefenen op de internationale kunstmarkt is geen historisch toeval. Het was het resultaat van een ontwikkeling die vrijwel parallel verliep aan de professionalisering van de kunstgeschiedenis zelf.

In de negentiende eeuw bestond het vakgebied nog nauwelijks als academische discipline. Oeuvres waren onvolledig in kaart gebracht, kunstenaarsarchieven lagen verspreid over particuliere verzamelingen en veel schilderijen waren slechts bekend uit beschrijvingen of oude veilingcatalogi. Wie een oeuvre wilde reconstrueren, moest letterlijk reizen, verzamelen en vergelijken. Het catalogue raisonné ontstond uit die behoefte aan ordening. Het was geen instrument om de markt te sturen, maar een poging om kennis systematisch vast te leggen. Dat verklaart waarom de auteur van een catalogue raisonné geleidelijk zo'n bijzondere positie kreeg. Hij beschikte over iets wat anderen eenvoudigweg niet hadden: overzicht. Hij kende honderden werken uit eigen waarneming, had toegang tot particuliere archieven en bouwde een documentatie op die voor anderen onbereikbaar was. Zijn gezag berustte niet op formele bevoegdheden, maar op een informatievoorsprong.

Die ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt in het werk van de familie Wildenstein. Gedurende meer dan een eeuw bouwden Nathan, Georges en Daniel Wildenstein een documentatiecentrum op dat uitgroeide tot een van de omvangrijkste kunsthistorische archieven ter wereld. Tienduizenden foto's, kunstenaarscorrespondenties, veilingcatalogi en provenances werden systematisch verzameld en voortdurend aangevuld. Voor onderzoekers vormde dit archief een onmisbare bron; voor de internationale kunsthandel werd het de plaats waar authenticiteit in toenemende mate werd vastgesteld. Het is verleidelijk om daarin vooral macht te zien. Toch doet dat geen recht aan de historische context. Het gezag van Wildenstein ontstond niet doordat de familie zichzelf tot autoriteit uitriep, maar doordat vrijwel iedereen haar expertise erkende. Musea vertrouwden op de kwaliteit van het onderzoek. Veilinghuizen zochten zekerheid in een markt waarin de financiële belangen steeds groter werden. Verzamelaars wilden weten of een aankoop stand zou houden wanneer een werk opnieuw op de markt verscheen. Het oordeel van Wildenstein werd gezaghebbend omdat het, meestal, overtuigend was.

Juist daarin schuilt een belangrijke les. Gezag ontstaat niet doordat iemand gelijk heeft, maar doordat anderen geloven dat zijn oordeel betrouwbaar is. Dat vertrouwen is geen juridisch begrip, maar een sociaal mechanisme. Het groeit langzaam, wordt bevestigd door herhaald succes en kan uiteindelijk zo vanzelfsprekend worden dat bijna niemand zich nog afvraagt waarop het eigenlijk berust. Precies dat gebeurde in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het catalogue raisonné veranderde geleidelijk van een wetenschappelijk hulpmiddel in een normatief referentiepunt. Een schilderij dat werd opgenomen, werd door de markt geaccepteerd; een schilderij dat ontbrak, riep onmiddellijk vragen op. Daarmee kreeg een kunsthistorische publicatie een betekenis die haar oorspronkelijke doel ver oversteeg. De auteur beschreef niet alleen een oeuvre, maar bepaalde indirect ook de economische en culturele status van de afzonderlijke werken. Dat is een opmerkelijke ontwikkeling. In vrijwel iedere wetenschap bestaan gezaghebbende handboeken, maar zelden hebben zij zulke directe gevolgen voor de waarde van hun onderwerp. Een botanische flora verandert de plantenwereld niet. Een nieuwe editie van een Romeinse inscriptiecatalogus heeft geen invloed op de prijs van antieke stenen. Bij kunstwerken ligt dat anders. De opname of uitsluiting van één schilderij kan miljoenen euro's vertegenwoordigen. Juist daardoor veranderde ook de positie van de auteur. Zijn oordeel kreeg een gewicht dat oorspronkelijk nooit was voorzien. Dat maakte de vraag naar de grondslag van dat oordeel onvermijdelijk.

Hoe kwam een beslissing tot stand? Welke bronnen waren gebruikt? Hoe werden tegenstrijdige aanwijzingen gewogen? Welke rol speelde stilistische analyse en welke plaats kregen technische onderzoeksgegevens? Zolang de kunstmarkt relatief klein was en de economische belangen beperkt bleven, werden zulke vragen zelden expliciet gesteld. Naarmate de financiële consequenties groter werden, veranderde dat. Niet alleen verzamelaars en handelaren, maar ook rechters begonnen steeds nadrukkelijker te vragen naar de argumentatie achter een authenticiteitsoordeel. Daarmee veranderde ongemerkt ook de positie van de connaisseur.

Gedurende de twintigste eeuw werd zijn autoriteit vooral gelegitimeerd door ervaring. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd steeds vaker verwacht dat die ervaring zich liet vertalen in een controleerbare redenering. Niet omdat intuïtie onbelangrijk was geworden, maar omdat intuïtie alleen niet langer voldoende overtuigde. Dat verschil lijkt klein, maar is fundamenteel. De vraag verschoof van wie spreekt? naar waarom is deze conclusie overtuigend? In dat opzicht markeert de geschiedenis van Wildenstein geen mislukking van het klassieke connaisseurschap. Integendeel. Zij laat zien hoe succesvol dat model is geweest. Maar zij laat ook zien dat ieder succesvol model uiteindelijk nieuwe vragen oproept. Zodra een autoriteit zo invloedrijk wordt dat haar oordeel grote maatschappelijke gevolgen heeft, ontstaat vanzelf de behoefte om de grondslag van dat gezag opnieuw te onderzoeken. Dat is de context waarbinnen de recente ontwikkelingen in het authenticiteitsonderzoek moeten worden begrepen. De discussie gaat niet in de eerste plaats over afzonderlijke schilderijen. Zij gaat over de voorwaarden waaronder een kunsthistorisch oordeel gezag krijgt. En precies daarom vormt de publicatie van Marc Restellini's catalogue raisonné geen breuk met de traditie van het connaisseurschap, maar het begin van een nieuwe fase daarin.

Het gezag van morgen

De geschiedenis van het connaisseurschap wordt vaak verteld als een geschiedenis van technische vooruitgang. Eerst was er het geoefende oog van de kenner. Daarna kwamen archiefonderzoek en provenance. Vervolgens deden röntgenfotografie, infraroodreflectografie en pigmentanalyse hun intrede. Tegenwoordig beschikken onderzoekers bovendien over digitale beeldbanken, geavanceerde materiaalanalyses en algoritmen die stilistische overeenkomsten kunnen herkennen. Dat verhaal is niet onjuist, maar het is onvolledig. Het suggereert dat iedere nieuwe techniek de vorige vervangt en dat de rol van de kunsthistoricus geleidelijk kleiner wordt. In werkelijkheid is eerder het omgekeerde gebeurd.

Nieuwe technieken nemen het oordeel van de deskundige niet over; zij veranderen de manier waarop dat oordeel tot stand komt. Een laboratorium kan vaststellen dat een pigment pas na 1945 beschikbaar kwam. Daarmee kan een vermeende Van Gogh worden uitgesloten. Het laboratorium kan echter niet verklaren waarom een schilderij overtuigt als werk van een bepaalde kunstenaar. Evenmin kan een algoritme bepalen welke betekenis moet worden toegekend aan een onvolledige provenance, een atelierpraktijk of een stilistische afwijking binnen een laat oeuvre. Zulke vragen laten zich niet beantwoorden door één methode alleen. Zij vragen om interpretatie. Dat is misschien wel de belangrijkste ontwikkeling binnen het hedendaagse authenticiteitsonderzoek. De discussie gaat steeds minder over de vraag welke techniek de beste is en steeds meer over de manier waarop verschillende vormen van kennis met elkaar worden verbonden. Stilistische analyse, archiefonderzoek, materiaaltechniek en restauratiegeschiedenis zijn geen concurrerende benaderingen, maar onderdelen van één argumentatie.

Juist daarin ligt de betekenis van de recente catalogue raisonné van Marc Restellini. De publicatie trok internationale aandacht omdat werken aan het oeuvre van Modigliani werden toegevoegd en andere juist werden uitgesloten. Dat zijn de zichtbare uitkomsten van bijna dertig jaar onderzoek. Minder zichtbaar, maar belangrijker, is de methode die aan die conclusies ten grondslag ligt. Restellini presenteert authenticiteit niet als de intuïtieve overtuiging van één uitzonderlijke kenner, maar als de uitkomst van een interdisciplinair onderzoeksproces waarin uiteenlopende bewijsmiddelen elkaar aanvullen en corrigeren. Dat betekent niet dat de klassieke connaisseur is verdwenen. Zijn oog blijft onmisbaar. Stilistische analyse vormt nog altijd een essentieel onderdeel van het onderzoek. Wat verandert, is de positie van dat oordeel. Het is niet langer het vertrekpunt én het eindpunt van de discussie, maar één schakel binnen een bredere redenering. Die verschuiving lijkt technisch, maar is in wezen epistemologisch. Zij gaat over de manier waarop een discipline haar kennis rechtvaardigt. De kunstgeschiedenis beweegt zich daarmee in dezelfde richting als andere wetenschappen, waar autoriteit steeds minder wordt ontleend aan de status van de onderzoeker en steeds meer aan de transparantie van diens methode.

Dat betekent niet dat het vak objectiever is geworden. Kunsthistorisch onderzoek zal altijd een interpretatieve discipline blijven. Er zullen altijd gevallen zijn waarin redelijke onderzoekers tot verschillende conclusies komen. Ook een zorgvuldig opgebouwde argumentatie sluit discussie niet uit. Wetenschap bestaat immers niet uit onwrikbare zekerheden, maar uit de voortdurende bereidheid bestaande overtuigingen opnieuw te toetsen. Juist daarin schuilt de kracht van het catalogue raisonné. Het pretendeert geen definitieve waarheid te formuleren, maar biedt de best mogelijke reconstructie van een oeuvre op basis van de beschikbare kennis. Iedere nieuwe archiefvondst, iedere technische ontwikkeling en iedere herwaardering van bestaand materiaal kan aanleiding zijn die reconstructie te herzien. Dat is geen teken van zwakte, maar van wetenschappelijke vitaliteit.

Vanuit dat perspectief krijgt ook de geschiedenis van het Wildenstein Institute een andere betekenis. Zij laat niet zien dat het klassieke connaisseurschap heeft gefaald. Integendeel. Zonder de enorme documentatieprojecten van de twintigste eeuw zou het huidige authenticiteitsonderzoek onmogelijk zijn geweest. De archieven, foto's en catalogues raisonnés waarop onderzoekers vandaag voortbouwen, zijn grotendeels dankzij dat pionierswerk tot stand gekomen. De werkelijke verandering ligt daarom niet in de kwaliteit van de experts, maar in de manier waarop expertise wordt gelegitimeerd. Waar reputatie vroeger vaak voldoende was om gezag te vestigen, verlangt de hedendaagse wetenschap steeds nadrukkelijker dat de weg naar een conclusie inzichtelijk wordt gemaakt. Niet omdat ervaring minder belangrijk is geworden, maar omdat ervaring alleen niet langer volstaat. Dat is uiteindelijk de bredere betekenis van de casus-Modigliani. Zij laat zien dat de vraag naar authenticiteit niet alleen gaat over schilderijen, maar ook over de manier waarop een samenleving met deskundigheid omgaat. Waarom vertrouwen wij een expert? Wanneer achten wij een oordeel overtuigend? En welke eisen stellen wij aan degene die namens een wetenschappelijke discipline spreekt? Dat zijn vragen die de grenzen van de kunstgeschiedenis ruimschoots overschrijden.

Conclusie

Een schilderij verandert niet wanneer een kunsthistoricus een nieuw oordeel formuleert. Wat verandert, is de manier waarop wij dat oordeel begrijpen. Gedurende de twintigste eeuw werd gezag in belangrijke mate verbonden aan de persoon van de connaisseur. Zijn ervaring, zijn reputatie en zijn uitzonderlijke oog vormden de basis van zijn autoriteit. In de eenentwintigste eeuw verschuift dat gezag geleidelijk naar de argumentatie waarmee een oordeel wordt onderbouwd. Niet de deskundige verdwijnt, maar de grondslag van zijn gezag verandert.

De publicatie van Marc Restellini's catalogue raisonné is daarom meer dan de voltooiing van een ambitieus onderzoeksproject. Zij markeert een ontwikkeling die zich al langer binnen de kunstgeschiedenis voltrekt: de overgang van een cultuur waarin kennis vooral werd belichaamd door de expert naar een cultuur waarin kennis steeds nadrukkelijker moet worden verantwoord. Misschien is dat wel de belangrijkste les van het debat over authenticiteit. Niet dat de kunstgeschiedenis definitieve antwoorden heeft gevonden op de vraag wat echt is, maar dat zij steeds beter leert uitleggen waarom zij meent dat iets echt is. En uiteindelijk is dat misschien de meest duurzame vorm van gezag die een wetenschap kan bezitten.

(*) De aanleiding voor dit essay ligt in mijn afstudeerscriptie over het Wildenstein Plattner Institute, waarin ik de werkwijze van catalogues raisonnés onderzocht, én in de recente publicatie van Marc Restellini's langverwachte Modigliani Catalogue Raisonné. Juist de combinatie van deze twee momenten onderstreept de actualiteit van de vraag hoe kunsthistorische authenticiteit vandaag de dag moet worden vastgesteld: op basis van het oog van de expert of van toetsbaar wetenschappelijk bewijs.

(**) De tekst van dit blog is langer uitgevallen dan eigenlijk mijn bedoeling was. Ik citeer daarom Blaise Pascal: 'Ik heb deze brief alleen zo lang gemaakt omdat ik geen tijd had om hem korter te maken.'

Dit artikel is geschreven door
Edgar Mulders

Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.

Bewijs

Letselschade­specialisten waar je op kunt bouwen

12.000+

Tevreden klanten


Dé letselschadespecialist van Zuid-Nederland.

12.000+

Zaken

Ruime ervaring met verkeersongevallen en bedrijfsletsel.

9.4

Op Trustoo

"JBA heeft ons dossier buitengewoon goed en effectief afgehandeld."

Gespecialiseerd en gecertificeerd

De advocaten van JBA zijn specialisten. Het kantoor is aangesloten bij het Keurmerk Letselschade.

Heb je wat anders op je hart?

Stel ons je vraag. We antwoorden graag.