Waarschuwen is niet genoeg: opdrachtgever aansprakelijk voor val op gladde bouwvloer
Willemijn Schut
15/6/26
Op 27 mei 2026 deed de rechtbank Midden-Nederland uitspraak in een zaak over de aansprakelijkheid van opdrachtgevers voor een arbeidsongeval op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Centraal stond de vraag of MBMN en Bentstaal aansprakelijk waren voor de schade van een monteur die tijdens werkzaamheden op een gladde bouwvloer uitgleed en een dubbele enkelbreuk opliep.
Feiten en omstandigheden
Eiser voerde montagewerkzaamheden uit aan de staalconstructie van een kantoorpand. De hoofdaannemer van dit project, verstrekte voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie van het pand opdracht aan onderaannemer Bentstaal. Bentstaal schakelde vervolgens MBMN in om montagewerkzaamheden aan de staalconstructie uit te voeren. MBMN schakelde op haar beurt weer eiser in.
Op 11 oktober 2017 gleed eiser tijdens zijn werkzaamheden uit op een gladde betonvloer waar een sliblaag was ontstaan. Hij liep daarbij een dubbele enkelbreuk op. Eiser stelt dat MBMN en Bentstaal op grond van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW aansprakelijk zijn voor de schade die hij hierdoor heeft geleden.
Artikel 7:658 (lid 4) BW
Artikel 7:658 BW bevat een regeling over de op de werkgever rustende zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Deze regeling komt er kort gezegd op neer dat de werkgever maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Als de werkgever hierin tekortschiet, is hij aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden lijdt. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is ook “hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft” aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.
Artikel 7:658 lid 4 BW strekt ertoe om bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Artikel 7:658 lid 4 BW is van toepassing als de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, wordt aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald. Van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen, de aard van de verrichte werkzaamheden en de mate waarin de "werkgever", al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's.
Voor de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW is verder vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden "in de uitoefening van het beroep of bedrijf" van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht.
Vallen MBMN en Bentstaal onder het toepassingsbereik van lid 4?
Omdat eiser met MBMN en Bentstaal geen arbeidsovereenkomst heeft, moet worden beoordeeld of MBMN en Bentstaal binnen het toepassingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW vallen.
MBMN was de opdrachtgever van eiser en vervulde deze rol ook actief (ter plaatse). Namens MBMN was een voorman aanwezig op de werkvloer. Hij stuurde de montageteams aan en was verantwoordelijk voor de concrete werkverdeling. Hij bepaalde waar en wanneer, welke werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat MBMN invloed had op de werkomstandigheden van eiser en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Het standpunt van MBMN dat de hoofdaannemer ging over het schoonmaken en vrijgeven van de verdiepingsvloer doet hier niet aan af, omdat voldoende is dat eiser voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van MBMN. Verder staat niet ter discussie dat de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het beroep en bedrijf van MBMN.
Ten aanzien van Bentstaal ligt dit anders. Eiser voerde aan dat Bentstaal verantwoordelijk was voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie en dat zij verantwoordelijk bleef voor de werkzaamheden die zij in dit kader heeft uitbesteed. Hieruit volgt echter volgens de kantonrechter nog niet dat eiser voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van Bentstaal. Bentstaal wijst erop dat zij geen actieve rol (ter plaatse) had. In reactie daarop heeft eiser tijdens de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat er een voorman van Bentstaal aanwezig was, maar tegenover de betwisting van Bentstaal heeft eiser dat niet verder onderbouwd. Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat Bentstaal invloed had op de werkomstandigheden van eiser en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Bentstaal valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet onder het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW.
De rechtsvorm maakt dit naar oordeel van de kantonrechter niet anders. MBMN heeft namelijk nog aangevoerd dat zij de opdracht heeft verstrekt aan de vennootschap onder firma, waar eiser vennoot van is. Daaruit trekt MBMN de conclusie dat eiser geen zelfstandige was en daarom geen rechten kan ontlenen aan artikel 7:658 lid 4 BW. Anders dan MBMN meent, is voor de kring van de door artikel 7:658 lid 4 BW beschermde personen niet de rechtsvorm beslissend, maar of degene die werkzaamheden verricht, zich in een met een werknemer vergelijkbare positie bevindt. Dat is het geval als hij voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht.
Schade in uitoefening van de werkzaamheden
Niet ter discussie staat dat eiser een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hij is uitgegleden op een gladde betonvloer en heeft daarbij een dubbele enkelbreuk opgelopen. MBMN is dan ook in beginsel aansprakelijk voor de hierdoor geleden schade. Dit is alleen anders als MBMN stelt, en zo nodig bewijst, dat zij haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van eiser.
Zorgplicht
MBMN stelt dat zij aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter volgt MBMN daarin niet. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in en er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan. Het artikel beoogt daarentegen ook geen absolute garantie te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen de werkgever dient te treffen, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de kans dat zich een ongeval zal voordoen, de ernst die de gevolgen van een ongeval kunnen hebben en de mate van de bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.
Hoewel het klopt dat voor alledaagse risico’s geen maatregelen hoeven te worden getroffen, gaat het hier naar het oordeel van de kantonrechter - anders dan MBMN stelt - niet om een alledaags risico. MBMN stelt dat het uitglijden over een natte of glad geworden vloer een alledaags gevaar is waar iedereen in het normale leven - en zeker op een bouwplaats - rekening mee moet houden. De door MBMN aangehaalde rechtspraak ziet echter volgens de kanontrechter op een andere situatie. Er is hier - anders dan in het Perez/Grande-arrest - niet alleen regen gevallen, maar ook boorresidu achtergebleven waardoor een gladde sliblaag is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter geen alledaags risico. Bovendien heeft de voorman - naar eigen zeggen -voor dit risico gewaarschuwd. Deze waarschuwing bevestigt dat de sliblaag geen alledaags risico is. Anders zou de voorman hier niet voor waarschuwen.
Vervolgens is de vraag of MBMN aan haar zorgplicht heeft voldaan door de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig waren ter voorkoming van de verwezenlijking van het valrisico. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. MBMN stelt dat de voorman eiser heeft gewaarschuwd voor het valrisico en hem de instructie heeft gegeven de verdiepingsvloer niet te betreden totdat hiervoor uitdrukkelijk toestemming zou zijn gegeven. Eiser betwist niet alleen dat deze instructie is gegeven, maar ook dat een dergelijke instructie voldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. In dat kader wijst eiser op de preventieve maatregelen die MBMN had kunnen treffen, zoals het verwijderen van de sliblaag, het schoonspuiten van de vloer of het afzetten van de toegang tot de verdiepingsvloer met een lint.
De kantonrechter is van oordeel dat ook als zou komen vast te staan dat de voorman eiser heeft gewaarschuwd voor het valrisico en de instructie heeft gegeven de vloer niet te betreden, dat onvoldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. MBMN heeft geen preventieve maatregelen genomen, hoewel deze prevaleren boven het geven van instructies en waarschuwingen. MBMN had de toegang naar de verdieping met de gladde vloer bijvoorbeeld kunnen afzetten met een lint. Een dergelijke veiligheidsmaatregel is eenvoudig en betaalbaar en dus niet bezwaarlijk om te nemen. Deze maatregel had dan ook van MBMN mogen worden verwacht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat MBMN haar zorgplicht niet is nagekomen.
Opzet of bewuste roekeloosheid?
MBMN stelt verder dat eiser bewust roekeloos heeft gehandeld door in strijd met de waarschuwing en instructie van de voorman de vloer te betreden. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Van bewust roekeloos handelen is pas sprake als de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest. Deze hoge lat is niet gehaald. Zelfs als vast komt te staan dat eiser voor het valrisico zou zijn gewaarschuwd en in strijd met de instructie van de voorman de verdiepingsvloer heeft betreden, staat daarmee nog niet vast dat eiser zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging. Zo oordeelde de Hoge Raad ook in de zaak Pollemans/Hoondert dat uit de herhaaldelijke waarschuwing in krachtige termen om niet buiten de steigerdelen te lopen niet noodzakelijkerwijs volgt dat ook op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval het roekeloze karakter van het gedrag van de werknemer in zijn bewustzijn leefde.
Conclusie
De kantonrechter heeft geoordeeld dat MBMN onder het toepassingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW valt, omdat eiser voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van MBMN en deze partij invloed had op de werkomstandigheden op de bouwplaats. MBMN heeft haar zorgplicht geschonden door geen adequate (preventieve) veiligheidsmaatregelen te treffen tegen het bekende valrisico dat werd veroorzaakt door de gladde sliblaag. Enkel een waarschuwing en instructie volstaan in dit verband niet. MBMN heeft dan ook niet aan haar zorgplicht voldaan. MBMN is daarom aansprakelijk voor de door eiser geleden schade.