Smartengeld is een vergoeding voor pijn, leed, ongemak, verdriet en gederfd levensvreugde. Het is dus een vergoeding voor aspecten die eigenlijk niet in geld zijn uit te drukken. In dit artikel behandelen wij de vraag: wanneer heeft iemand recht op smartengeld?
Smartengeld komt alleen voor vergoeding in aanmerking als in de wet staat dat je daar recht op hebt. Het artikel dat daar over gaat is artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De tekst van dit artikel is als volgt:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.
De eerste categorie geeft recht op een schadevergoeding als de dader zelf heeft toegegeven dat hij schade heeft veroorzaakt om ervoor te zorgen dat het slachtoffer pijn, leed of verdriet opliep. Aangezien daders dit vaak niet erkennen, komt dit niet vaak voor.
De tweede categorie geeft recht op een vergoeding bij lichamelijk letsel, bij – kort gezegd – smaad en laster of bij psychische schade “andere wijze aangetast”.
Wanneer een slachtoffer door bijvoorbeeld een verkeersongeval lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen, is sub b van het bovenstaande artikel de grondslag voor een aanspraak op smartengeld. Dit letsel moet dan worden bewezen met medische informatie (bijvoorbeeld van de huisarts, het ziekenhuis, psycholoog of therapeut).
De laatste categorie ziet op smaad en laster jegens iemand die al is overleden.
Het is ook mogelijk om smartengeld te ontvangen wanneer een naaste bijvoorbeeld komt te overlijden (artikel 6:106 lid 1 sub c BW) als gevolg van een verkeersongeval, of wanneer een naaste zodanig ernstig letsel heeft opgelopen dat sprake is van 70% of meer blijvende functionele invaliditeit dan wel ernstig en blijvend letsel. Deze vorm van smartengeld heet affectieschade. Hier komen wij in een ander artikel op terug.
De conclusie is dat er bij letselschade – zowel fysiek als psychisch letsel – eigenlijk altijd recht bestaat op smartengeld.
Dit artikel is geschreven door
Sophie Zuidam
Heb je vragen? Neem vrijblijvend contact op.