
In onze dagelijkse praktijk staan wij onder andere slachtoffers bij van verkeersongevallen. De afwikkeling van de schade van het slachtoffer met de verzekeraar van de wederpartij betreft civiel recht. Verkeersongevallen kunnen echter ook een strafrechtelijke kant kennen. Bij ongevallen met zwaarder lichamelijk letsel doet de politie onderzoek naar de toedracht. Zodra dit onderzoek is afgerond beoordeelt de officier van justitie of de veroorzaker van het ongeval zich dusdanig gevaarzettend heeft gedragen dat er sprake is van een overtreding van artikel 5 of 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna “WVW”). Indien dat het geval is, zal de veroorzaker strafrechtelijk worden vervolgd. Gisteren heeft de strafrechter van de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan inzake een verkeersongeval van 21 mei 2025. De uitspraak kan hier worden nagelezen.
De kwestie
Aan de veroorzaker van het ongeval, de verdachte, is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 21 mei 2025 door haar schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos of zeer onoplettend/onvoorzichtig te rijden. De verdachte was op het moment van het ongeval beginnend bestuurder, had een telefoon in haar hand waarmee zij een bericht stuurde, dan wel zat te bellen, ze reed harder dan de maximum toegestane snelheid, paste haar snelheid niet aan en was onvoldoende oplettend toen het slachtoffer op zijn fiets van rechts kwam. De verdachte heeft deze fietser geen voorrang verleend, waardoor een aanrijding is ontstaan en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit een schedelbreuk, gebroken ribben, gebroken vinger, een klaplong en een kaakluxatie.
Het OM vervolgt de verdachte voor artikel 6 WVW. Volgens de advocaat van de verdachte is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, waarin is bepaald dat het verboden is voor verkeersdeelnemers om je zodanig te gedragen dat er een ongeval plaatsvindt waardoor een ander overlijdt of zwaar lichamelijk letsel oploopt, geen sprake, omdat de gedragingen van verdachte moeten worden gezien als één verkeersfout. Tevens stelt de advocaat van de verdachte dat het letsel van het slachtoffer niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, waardoor het slachtoffer beperkt is in het dagelijks leven.
De verdachte verklaart het slachtoffer over het hoofd te hebben gezien en dat zij voorafgaand en tijdens het ongeval haar mobiele telefoon niet heeft gebruikt.
Oordeel rechtbank
De rechtbank gaat niet geheel mee in de verweren van verdachte en haar advocaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het ongeval en haar gedrag kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Dat maakt de rechtbank op uit camerabeelden, waaruit volgt dat het slachtoffer de hand uitsteekt en de kruising opdraait, terwijl de verdachte op geen enkele manier op het slachtoffer reageert. Zij rijdt in een rechte lijn door zonder haar snelheid te verminderen of uit te wijken. De verdachte had haar snelheid juist moeten aanpassen op de naderende kruising.
De rechtbank gaat wel mee in het verweer dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het ongeval haar mobiele telefoon gebruikte. Weliswaar is er sprake van een “outcoming message” van Snapchat dat enkele seconden ná het ongeval is verstuurd, maar dat kan ook zijn veroorzaakt door het beëindigen van een gesprek via Snapchat. Daarmee staat volgens de rechtbank niet vast dat de verdachte haar telefoon ten tijde van het ongeval handmatig bediende.
Daarentegen kan volgens de rechtbank het letsel van het slachtoffer wel worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, waardoor aan de vereisten van artikel 6 WVW is voldaan en de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast wordt er een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd van 9 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering benadeelde partij
Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak en naast een kleine vergoeding voor reiskosten een schadevergoeding van € 10.000,00 gevorderd voor immateriële schade. De officier van justitie acht de toewijzing van het volledige bedrag redelijk, maar de advocaat van de verdachte beroept zich primair op een strijd met de goede procesorde, omdat de vordering laat zou zijn ingediend, waardoor zij (de verdediging) onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren tegen de vordering. Daarbij voert de verdediging aan dat het slachtoffer niet eerst het civielrechtelijke traject met de verzekeraar heeft doorlopen.
De rechtbank gaat ook ten aanzien van de vordering niet volledig mee in het verweer van de verdediging. De vordering is weliswaar laat ingediend, maar uit de omstandigheid dat het pleidooi van de verdediging over de vordering vijf pagina’s telt, maakt de rechtbank op dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest om zich te verweren tegen de vordering. Verder geldt er geen plicht voor het slachtoffer om zich eerst tot de verzekering van de veroorzakende partij te wenden.
De rechtbank gaat echter ook niet mee in het oordeel van de officier van justitie ten aanzien van de ingediende vordering. Uit het dossier blijkt wel het opgelopen letsel, enkele dagen ziekenhuisopname en een consult in het ziekenhuis voor toenemende hoofdpijn en sufheid, maar niet dat er sprake is van blijvende klachten of beperkingen of nog noodzakelijke medische behandelingen. De rechtbank zoekt voor de begroting van de immateriële schade aansluiting bij de Rotterdamse schaal en veroordeelt de verdachte tot het betalen van € 2.500,00 aan immateriële schade. Het overige deel van de vordering voor immateriële schade wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het slachtoffer de mogelijkheid heeft om dit deel van de vordering nog voor te leggen in een civiele procedure.
Schadevergoeding via verzekeraar of strafzaak?
Bij verkeersongevallen waarin ook een strafzaak speelt heeft het slachtoffer de mogelijkheid om de schade af te wikkelen met de aansprakelijke verzekeraar of om zich als benadeelde partij te voegen en het verzoek tot schadevergoeding in de strafzaak in te dienen. Dit laatste betreft een stukje civiel recht binnen de strafzaak. Daarbij geldt te allen tijde dat schade die reeds is vergoed door de verzekeraar niet kan worden gevorderd in de strafzaak en schade die reeds is toegewezen in de strafzaak niet meer kan worden gevorderd bij de aansprakelijke verzekeraar.
Over het algemeen geniet het de voorkeur om de schade af te wikkelen met de aansprakelijke verzekeraar. Het slachtoffer heeft dan de mogelijkheid om voorschotten te krijgen op de schade en is niet afhankelijk van de doorlooptijd van een strafzaak en vermogenspositie van de dader. Zou de dader in deze zaak in hoger beroep gaan, dan is ook de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding niet onherroepelijk, waardoor de schadevergoeding nog niet door de dader hoeft te worden voldaan. Pas zodra de strafzaak onherroepelijk is, weet het slachtoffer of en welke schadevergoeding hij ontvangt en zal het CJIB de vordering bij de dader gaan innen.
Een ander belangrijk argument is dat je bij een vordering in een strafzaak aan een strafrechter vraagt om zich uit te laten over een civiele kwestie. Er is vaak onvoldoende kennis aanwezig om een dergelijke vordering naar behoren te beoordelen. Zo lijkt het toegewezen bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, afgaande op de informatie die het vonnis geeft, aan de lage kant, gezien de aard van het opgelopen letsel. Ook indien er uiteindelijk sprake is van volledig herstel. Waarom het slachtoffer in deze kwestie ten tijde van de strafzaak zich (nog) niet heeft gewend tot de WAM-verzekeraar van het betrokken voertuig is niet duidelijk.
Contact
Bent u slachtoffer geworden en wenst u hulp bij het verhalen van uw schade? Neem dan contact op met ons kantoor via www.jba.nl , info@jba.nl of op telefoonnummer 073-690 0888. Wij voorzien u graag van gedegen advies!



