Gerechtshof bevestigt aansprakelijkheid opdrachtgever na ernstig arbeidsongeval
Dirk van der Wulp
8/7/26

Op 16 juni 2026 oordeelde het Gerechtshof in Arnhem in een langlopende zaak met betrekking tot een arbeidsongeval uit juni 2020. Het arrest is hier terug te lezen.
Waar ging deze zaak over?
Deze zaak ging om het volgende. Een opdrachtnemer verrichtte in juni 2020 voor een opdrachtgever werkzaamheden bij de bouw van een woning. De opdrachtnemer kwam hierbij ten val en liep hierbij letsel op aan beide benen. Tussen partijen ontstond een discussie waar de opdrachtnemer precies was gevallen en of dit wel in de uitoefening van de werkzaamheden was gebeurd. De opdrachtnemer stelde dat hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een plat dak was gevallen. De opdrachtgever beweerde echter dat de opdrachtnemer na werktijd een grap had willen uithalen en hierbij vanaf een zeecontainer op de grond was gevallen.
De opdrachtnemer legde de zaak voor aan de kantonrechter in Utrecht en verzocht deze de aansprakelijkheid vast te stellen en vervolgens verwijzing naar een schadestaatprocedure. De kantonrechter gaf de opdrachtnemer vervolgens een bewijsopdracht dat hij tijdens de uitoefening van de werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning was gevallen. De opdrachtnemer leverde dit bewijs vervolgens volgens de kantonrechter, die op grond daarvan de aansprakelijkheid vaststelde. Dit gebeurde in een eindvonnis van 11 september 2024. Er was in deze procedure geen verzekeraar betrokken.
De opdrachtgever ging tegen dit oordeel in hoger beroep bij het Gerechtshof in Arnhem. De opdrachtnemer vorderde in hoger beroep bij het Hof dat de opdrachtgever hem een voorschot zou betalen op de schade van € 75.000,-. Ook stelde hij zelf hoger beroep in tegen het tussenvonnis met de bewijsopdracht.
Het oordeel van het Hof
Het Hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter in Utrecht en wees de opdrachtnemer een voorschot op de schadevergoeding toe van € 50.000,-. Het Hof motiveerde dit oordeel als volgt.
Niet ter discussie stond dat de opdrachtgever in juni 2020 vanuit zijn eenmanszaak in opdracht van een particuliere eigenaar werkzaamheden had verricht aan de ruwbouw van een te realiseren nieuwbouwwoning. Hiervoor schakelde de opdrachtgever andere zelfstandigen in, waaronder ook de opdrachtnemer in deze zaak. Het ging om een vrijstaande woning met vier woonlagen. Aan de achterzijde van de woning was op de begane grond een aanbouw met een plat dak gerealiseerd.
Vast stond ook dat op vrijdag 26 juni 2020 door de opdrachtnemer foto’s waren gemaakt van de woning in aanbouw. Dit was ook de dag dat hij ten val kwam. Niet ter discussie stond ook dat de opdrachtgever op diezelfde dag een hijskraan met kraanmachinist had ingehuurd. Op 25 juni 2020 waren hiermee bouwmaterialen in de woning gehesen. De dag erna, 26 juni 2020, werden de laatste dakplaten op het dak bevestigd. Vervolgens maakte de opdrachtnemer de foto’s.
Het feit dat de opdrachtnemer op 26 juni 2020 ten val is gekomen stond vervolgens ook niet ter discussie. De opdrachtnemer was na de val door de opdrachtgever ook naar de eerste hulp gebracht, waar een verbrijzeling van beide enkels werd geconstateerd. De opdrachtnemer werd ook diverse keren geopereerd voor dit letsel. De moeder van de opdrachtnemer meldde de val vervolgens bij de Arbeidsinspectie in september 2020, nu de opdrachtgever dat niet had gedaan. De inspectie deed hierna onderzoek en bracht een proces-verbaal uit.
De discussie tussen partijen ging dus om de vraag waar en op welke wijze de opdrachtnemer ten val was gekomen op de bouwplaats en of dit tijdens of na het uitvoeren van de werkzaamheden was gebeurd.
Het Hof oordeelde (r.o. 3.9 e.v.) dat het aan de opdrachtnemer is om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat zijn schade in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden. De opdrachtnemer stelde dat hij uit de linker uitsparing aan de achterzijde van het schilddak op het plat dak van de aanbouw was gevallen. Hij stond in de uitsparing omdat de hijskraan daar doorheen een pallet met giboblokken op de zoldervloer had laten zakken. Hij haalde hierbij twee van de vier haken los, waarna de lading bewoog en de opdrachtnemer hierdoor via de uitsparing naar buiten is geduwd en vervolgens een verdieping lager op het plat dak van de aanbouw terecht is gekomen. De opdrachtgever betwistte dat.
Het Hof beoordeelde hierom de verschillende getuigenverklaringen die voorafgaan en tijdens de procedure bij de kantonrechter al waren afgelegd. Ook de verklaringen bij de arbeidsinspectie werden meegenomen door het Hof en de verklaringen die bij de rechter-commissaris in strafzaken werden afgelegd ook. Hierbij waren diverse getuigen opnieuw gehoord, wegens een verdenking van meineed.
Het Hof oordeelde dat de stelling over de toedracht van de opdrachtnemer werd bevestigd door de kraanmachinist, een hulpkracht en de buurvrouw. De kraanmachinist had zich hierbij na zijn eerste verhoor, waar hij anders had verklaard, uit eigen beweging bij de arbeidsinspectie gemeld en verklaarde dat hij gewetenswroeging had en open kaart wilde spelen. Sindsdien verklaarde hij consequent over het voorval en bevestigde hij de lezing van de opdrachtnemer. Het Hof oordeelde dat de verklaring van de machinist steun vond in de verklaringen van de hulpkracht en de buurvrouw, die het hof als zeer overtuigend betitelde (r.o. 3.13). Dit leidde het Hof tot het oordeel dat enkel de opdrachtgever verklaarde dat de opdrachtnemer op een andere plaats ten val was gekomen. Getuigen die die visie aanvankelijk ondersteunden hebben dit vervolgens tijdens hun verhoren niet herhaald. Het Hof betitelde de verklaring van de opdrachtgever dan ook als ongeloofwaardig (r.o. 3.17).
Het Hof gaf hierbij nog (terecht) aan dat het bij een bedrijfsongeval niet op de weg van de opdrachtnemer is om de precieze toedracht aan te tonen, zoals blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad vanaf 1999 (de arresten Fransen en Bloemsma). Wanneer er sprake is van een onzekere toedracht, waarbij toch aannemelijk is dat de schade in de uitoefening van de werkzaamheden is opgelopen, komt het risico van die onzekere toedracht voor de opdrachtgever. Het Hof oordeelde dat met voldoende zekerheid was komen vast te staan dat de toedracht die de opdrachtnemer had gesteld de juiste was.
Vervolgens was het nog de vraag of de opdrachtnemer zijn werkzaamheden wel in het bedrijf van de opdrachtgever had verricht. Niet ter discussie stond namelijk dat de pallet met giboblokken die naar binnen werd gehesen bedoeld was voor Poolse metselaars, die niet in opdracht van de opdrachtgever werkten. De opdrachtgever betwistte ook dat hij opdracht had gegeven aan de kraanmachinist voor deze handelingen. Het Hof oordeelde hierover dat het niet vereist is dat de opdrachtnemer op het moment van het ongeval strikt handelde in de daadwerkelijke uitoefening van een hem concreet opgedragen taak. Dat gold ook voor de kraanmachinist. De opdrachtgever had tijdens de zitting bij het Hof verklaard dat hij degene was die de giboblokken had besteld en de kraanmachinist had ingehuurd en betaald om de blokken in de woning te hijsen. Ook al zou de machinist vervolgens uit eigen beweging de pallet in de dakuitsparing hebben gehesen, dan is dat volgens het Hof gebeurd in de context van de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever. Dit betekende dat de opdrachtgever ook volgens het Hof aansprakelijk was te houden voor de schade die de opdrachtnemer door de val had geleden en nog altijd leed. Volgens het Hof kon de schade nog niet worden begroot en moest daarom een verwijzing naar de schadestaatprocedure plaatsvinden.
Gezien het feit dat de opdrachtnemer onbetwist had gesteld dat hij het eerste jaar na zijn val in een rolstoel had gezeten en daarna moest revalideren van de operaties, oordeelde het Hoff dat van hem in die periode niet kon worden verwacht dat hij zich op andere werk oriënteerde. Ook zou hiervoor omscholing nodig zijn, hetgeen ook tijd kost. Het Hof schatte het verlies van arbeidsvermogen voor de eerste anderhalf jaar ruwweg op € 50.000,- netto en wees dit bedrag dan ook als voorschot op de schadevergoeding toe. De opdrachtgever diende dit hem te betalen.
Tot slot
Heeft u vragen over deze uitspraak? Neem dan contact met ons op via info@jba.nl.



