
Over een kleine twee maanden is het weer oud en nieuw. Elk jaar raken mensen gewond door vuurwerk, soms voor de rest van hun leven. Meestal lijkt de vraag wie daarvoor aansprakelijk is snel beantwoord. Wie zelf vuurwerk afsteekt, draagt zelf de gevolgen. Maar wat als iemand anders u dat vuurwerk in handen heeft gedrukt?
Het Gerechtshof Amsterdam gaf daar op 13 oktober 2026 een duidelijk antwoord op. Een man gaf een vriend een zwart stuk vuurwerk zonder opschrift, dat al ruim anderhalf jaar in zijn werkbus lag. Toen de vriend het aanstak, ontplofte het. Hij verloor zijn rechterhand. Volgens het hof heeft de gever onrechtmatig gehandeld. Maar ook de vriend zelf was onvoorzichtig. Het hof verdeelt de schade daarom half om half.
De uitspraak is op 4 november 2026 gepubliceerd en kunt u hier teruglezen.
Wat is er gebeurd?
Op een zaterdagavond in november 2019 zitten drie vrienden in een loods op een industrieterrein. De twee hoofdpersonen in deze zaak kennen elkaar al sinds de basisschool. Als zij buiten knallen horen, schiet het een van hen te binnen dat hij zelf ook nog vuurwerk heeft liggen. Ze lopen naar zijn werkbus. Uit het dashboardkastje haalt hij een langwerpig zwart stuk vuurwerk met een stevige lont. Er staat niets op. Geen merk, geen soort en geen gebruiksaanwijzing.
Hij geeft het aan zijn vriend en neemt afstand. Er wordt niets gezegd, maar volgens de vriend was de boodschap duidelijk. Doe er wat mee. De vriend loopt de hoek om en probeert het lontje met zijn aansteker aan te steken. Al snel ziet hij een gloeiend puntje. Hij laat het vuurwerk los, maar het is te laat. Het ontploft vlak onder zijn rechterhand. Een traumahelikopter brengt hem naar het ziekenhuis in Amsterdam. Daar wordt zijn rechterhand geamputeerd. Het was zijn dominante hand. Hij heeft nu een prothese.
Hoe kwam de gever aan het vuurwerk? Hij verklaarde dat hij het in 2017 of 2018 van een voormalige collega had gekregen. Wat voor vuurwerk het was, wist hij niet. Of het legaal was, wist hij evenmin. Het had al die tijd in zijn bus gelegen, ook toen hij ermee op vakantie ging. Een andere vriend verklaarde dat hij hetzelfde vuurwerk eerder had aangenomen, maar het weer had teruggegeven. De politie onderzocht de explosie en ging ervan uit dat het om vuurwerk ging en niet om een zelfgemaakt explosief.
De rechtbank zag geen aansprakelijkheid
Het slachtoffer stelde zijn vriend en diens verzekeraar Univé aansprakelijk. Hij koos voor een deelgeschilprocedure. Dat is een snelle procedure bij letselschade waarin de rechter over één knelpunt beslist, zodat partijen daarna zelf verder kunnen onderhandelen. Hier was dat knelpunt de vraag of de vriend aansprakelijk is.
De Rechtbank Noord-Holland vond van niet. Volgens de rechtbank had de vriend geen gevaarlijke situatie in het leven geroepen. De kans op een ongeluk was niet zo groot dat hij anders had moeten handelen.
Tegen een beslissing in een deelgeschil staat in beginsel geen hoger beroep open. In de bodemprocedure die daarna volgt, geldt die beslissing als een tussenvonnis (art. 1019cc Rv). De rechtbank kan dan toestaan dat er alvast hoger beroep tegen wordt ingesteld. Dat gebeurde hier. Zo kwam de zaak bij het hof.
Het hof ziet wel degelijk gevaarzetting
Het hof kijkt anders naar de zaak. De vraag is of de vriend zich anders had moeten gedragen dan hij deed. Rechters beantwoorden die vraag aan de hand van het bekende Kelderluik-arrest van de Hoge Raad uit 1965. Hoe groot was de kans op een ongeluk? Hoe ernstig konden de gevolgen zijn? Hoe goed was het gevaar te zien? En hoe lastig was het om voorzorgsmaatregelen te nemen?
Het hof weegt die factoren en komt tot de conclusie dat de vriend onrechtmatig handelde. Hij gaf het vuurwerk weg met de bedoeling dat het zou worden afgestoken, terwijl hij niet wist wat voor vuurwerk het was. Ook de herkomst kende hij niet, behalve dat het van een oud-collega kwam. Op het vuurwerk stond niets. Geen soort, geen herkomst, geen veiligheidsinstructie en geen gebruiksaanwijzing. Daardoor konden de gever en zijn vriend allebei niet weten welke risico's eraan verbonden waren.
Daar kwam iets bij. Het vuurwerk had één tot twee jaar in een werkbus gelegen. Volgens het hof is het aannemelijk dat het daar aan wisselende omstandigheden en temperaturen heeft blootgestaan. Dat kan de betrouwbaarheid en de veiligheid van vuurwerk aantasten. De gever heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat dat hier anders was. Het hof vindt dat hij zich dat extra risico had kunnen en moeten realiseren.
Het risico was bovendien eenvoudig te voorkomen. Hij had het vuurwerk gewoon niet hoeven weg te geven. Het hof erkent dat het niet erg waarschijnlijk was dat de vriend onvoorzichtig zou zijn. Maar door de onbekende risico's was de kans op een ongeluk toch aanmerkelijk en de gevolgen konden zeer ernstig zijn. Daarmee heeft de gever een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Dat is een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
Hij stak het toch zelf aan?
De vriend en Univé voerden aan dat de schade alleen door het slachtoffer zelf was ontstaan. Hij had het vuurwerk zelf aangenomen en het zelf op een onveilige manier aangestoken. Daarom zou er geen verband zijn tussen het weggeven en het ongeluk. Ook zou niet zijn voldaan aan het relativiteitsvereiste. Dat vereiste houdt in dat de geschonden regel juist moet zijn bedoeld om tegen dit soort schade te beschermen (artikel 6:163 BW).
Het hof gaat daar niet in mee. Dat het slachtoffer zelf ook heeft bijgedragen aan het ongeluk, betekent niet dat de gever vrijuit gaat. Zonder het vuurwerk van de gever was het ongeluk niet gebeurd. En de zorgvuldigheidsnorm die hij schond, is precies bedoeld om anderen te beschermen tegen dit soort letsel. Aan de relativiteit is dus voldaan.
De bijdrage van het slachtoffer zelf speelt wel een rol, maar op een andere plek. Niet bij de vraag of de gever aansprakelijk is, maar bij de vraag hoeveel hij moet betalen.
Eigen schuld van 50%
Wie zelf heeft bijgedragen aan zijn schade, krijgt minder vergoed. Dat heet eigen schuld (artikel 6:101 BW). De vriend en Univé gingen ver. Volgens hen was de eigen schuld zo groot dat de plicht om de schade te vergoeden helemaal verviel.
Zover gaat het hof niet. Wel vindt het hof dat het slachtoffer onvoorzichtig was. Hij stak het vuurwerk af zonder eerst na te gaan wat voor vuurwerk het was en hoe je het veilig afsteekt. Hij zag zelf dat er geen etiket op zat. Toch stak hij het aan met een aansteker in plaats van met een aansteeklont. En hij hield het vuurwerk daarbij in zijn hand.
Van een volwassene mag worden verwacht dat hij beseft dat vuurwerk gevaarlijk kan zijn. Zeker als hij niet weet wat voor vuurwerk hij in handen heeft. Het is volgens het hof algemeen bekend dat je vuurwerk niet in de hand en niet met een aansteker moet afsteken. Het advies is om het op de grond te zetten en een aansteeklont te gebruiken. Die voorschriften had het slachtoffer moeten volgen.
Het hof stelt de eigen schuld vast op 50%. Een billijkheidscorrectie past het niet toe. Met zo'n correctie kan de rechter de verdeling aanpassen als de uitkomst anders onredelijk zou zijn, bijvoorbeeld door de ernst van het letsel. Het hof houdt het hierover kort. De omstandigheden van dit geval geven daar volgens het hof geen aanleiding toe.
Wat betekent dit voor de schade en de kosten?
Het hof verklaart voor recht dat de vriend en Univé voor 50 procent aansprakelijk zijn. Hoe hoog de schade is, staat nog niet vast. Daarover hebben partijen nog helemaal niet gedebatteerd. Het hof veroordeelt hen daarom tot vergoeding van de schade op te maken bij staat. De omvang van de schade wordt dan in een aparte procedure vastgesteld, als partijen er samen niet uitkomen. Ook de vraag vanaf wanneer de wettelijke rente loopt, komt daar aan de orde.
Ook voor de kosten van het deelgeschil telt de verdeling mee. Wie een deelgeschil voert, kan de redelijke kosten daarvan in beginsel vergoed krijgen (artikel 1019aa Rv in samenhang met artikel 6:96 lid 2 BW). Wordt de schadevergoeding wegens eigen schuld verminderd, dan geldt die vermindering in beginsel ook voor die kosten. Dat volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2007. De rechtbank had de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.057,15. Het slachtoffer krijgt daarvan de helft, € 2.528,58.
De proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseert het hof. Beide partijen kregen deels gelijk en deels ongelijk en dragen dus hun eigen kosten.
Wat kunt u hiermee?
Dit arrest laat zien dat vuurwerk doorgeven niet vrijblijvend is. Wie een ander vuurwerk geeft waarvan hij niet weet wat het is, waar het vandaan komt of hoe het is bewaard, neemt een risico. Gaat het mis, dan kan hij aansprakelijk zijn. Ook als de ander het zelf aansteekt.
Tegelijk laat het arrest zien dat de afsteker niet vrijuit gaat. Wie vuurwerk zonder etiket in de hand aansteekt met een aansteker, krijgt een flink deel van zijn schade niet vergoed. Bij letsel als dit kan het om grote bedragen gaan. Denk aan inkomensverlies, de kosten van een prothese, aanpassingen in huis en smartengeld. De helft daarvan zelf dragen, is een zware last.
Bent u gewond geraakt door vuurwerk dat iemand anders u gaf of afstak? Laat dan uitzoeken of die ander aansprakelijk is. Vaak heeft die een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren. Een deelgeschil kan een snelle manier zijn om de vraag naar aansprakelijkheid en eigen schuld aan de rechter voor te leggen.
Heeft u vragen over letselschade door vuurwerk?
Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. Dat kan via het telefoonnummer boven in beeld of door een e-mailbericht te sturen naar info@jba.nl.



