
Langs de Grande Allee in Giverny, het middenpad van de bloementuin die Claude Monet vanaf 1883 als een levend schilderij heeft aangelegd, stonden deze zomer geen capucines meer. De Oost-Indische kers die daar in rood, oranje en geel over het grind kruipt, stamt in rechte lijn af van de planten die Monet er ruim een eeuw geleden zelf zaaide. Dezelfde bloem die hij in 1879 in Capucines dans un vase bleu op doek zette. De opeenvolgende hittegolven van 2026 hebben ze volledig weggevaagd. 'Het is de eerste keer dat het in deze mate gebeurt,' zei hovenier Remi Lecoutre, die er bijna veertig jaar werkt, tegen France 24. 'Het is vreselijk'.
De stichting die de tuin beheert liet er meteen op volgen dat de capucines opnieuw worden ingezaaid en volgend voorjaar weer zullen bloeien. Dat is, in horticulturele vorm, de belofte die het hart van ons schadevergoedingsrecht vormt: restitutio in integrum, herstel in de oude toestand. En het is precies die belofte die de moeilijkste vraag toedekt. Wie is verantwoordelijk voor de dode bloemen aan Monets pad? Wie is ervoor aansprakelijk? En laat zich wat hier verloren ging eigenlijk wel in geld uitdrukken?
Twee begrippen die we voortdurend verwarren
Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid worden in het klimaatdebat vaak in een adem genoemd, maar het zijn ongelijksoortige grootheden. Verantwoordelijkheid is ruim, moreel en politiek geladen, collectief en toekomstgericht. Zij vraagt wie zou moeten handelen. Aansprakelijkheid is smal en juridisch en eist een geschonden norm, een causaal verband, schade en relativiteit en zij wijst achteraf een partij aan die moet betalen. Het ongemak van het klimaatrecht laat zich in die tweedeling vangen. Klimaatverandering is bij uitstek een vraagstuk van collectieve verantwoordelijkheid. Toch blijven we proberen het in de mal van de individuele aansprakelijkheid te persen. Bij die operatie kraakt de mal. De verwelkte tuin van Giverny is een kleine, scherpe illustratie van waar hij kraakt.
De norm bestaat inmiddels
Wie in Nederland een onrechtmatige daad wil aantonen (artikel 6:162 BW), begint bij de norm. En op dat punt is de afgelopen jaren opvallend veel gebeurd. In Urgenda oordeelde de Hoge Raad dat de Staat, op grond van de positieve verplichtingen onder de artikelen 2 en 8 EVRM, gehouden was zijn broeikasgasuitstoot tegen eind 2020 met ten minste 25% te reduceren. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens trok die lijn in 2024 door in KlimaSeniorinnen. Zwitserland schond artikel 8 EVRM door ontoereikend klimaatbeleid. De schade van de klagende oudere vrouwen bestond juist uit de gezondheidsgevolgen van hittegolven. Dezelfde soort hitte die de vrouwen ziek maakte, verschroeide de capucines.
Ook de horizontale, private variant heeft inmiddels vorm gekregen. In het hoger beroep van Milieudefensie tegen Shell bevestigde het Haagse hof dat op Shell een eigen zorgplicht rust om gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan, ingekleurd door mensenrechten en soft law via reflexwerking. Dat het hof, anders dan de rechtbank in 2021, weigerde daar een concreet reductiepercentage aan te verbinden, is voor de tegenstanders van klimaatrechtszaken geruststellend maar voor de dogmatiek bijzaak. Het principiele punt staat: grote uitstoters kunnen zich niet achter regelgeving of achter de consument verschuilen en de rechter hoeft daarbij niet terughoudend te zijn.
De jongste schakel is de Klimaatzaak Bonaire, waarin de rechtbank oordeelde dat de Staat jegens de inwoners van Bonaire onrechtmatig handelt, niet alleen door ontoereikende bescherming onder artikel 8 EVRM maar ook door ongelijke bescherming onder artikel 14, omdat Caribisch Nederland stelselmatig minder klimaatbescherming krijgt dan het Europese deel. Ook daar gaat het, net als in Giverny, om schade aan iets wat zich niet laat terugkopen: koraalriffen en mangroven in plaats van capucines. De norm is er.
De muur van de causaliteit
Tussen een geschonden norm en een euro schadevergoeding staat het causaliteitsvereiste. Klassiek aansprakelijkheidsrecht veronderstelt een kenbare dader en een te volgen causale lijn: het condicio-sine-qua-non-verband, gevolgd door toerekening naar redelijkheid (artikel 6:98 BW). Klimaatverandering breekt beide veronderstellingen. De 'dader' is de gehele industriele geschiedenis van de mensheid, de eiser incluis. En niemand kan hard maken dat juist de uitstoot van één bedrijf dit ene bloembed in Normandië heeft verschroeid. Je kunt alleen zeggen dat die uitstoot de kans erop heeft vergroot.
Dat laatste is minder fataal dan het klinkt, want de wetenschap is meegegroeid. Attributieonderzoek, zoals dat van World Weather Attribution, kan van een concrete hittegolf inmiddels zeggen hoeveel waarschijnlijker of heviger die door de opwarming is geworden. En laat het aansprakelijkheidsrecht nu net gereedschap hebben ontwikkeld voor precies dat ongemak. De alternatieve causaliteit van artikel 6:99 BW, geboren in het DES-arrest, maakt meerdere producenten hoofdelijk aansprakelijk wanneer vaststaat dat een van hen de schade heeft veroorzaakt maar niet wie. De proportionele aansprakelijkheid uit Nefalit/Karamus verdeelt de schade naar de mate waarin een oorzaak waarschijnlijk heeft bijgedragen, ontwikkeld voor de asbestwerker bij wie beroepsmatige blootstelling en roken elkaar overlappen. En grensoverschrijdende vervuiling met een veelheid aan veroorzakers is niet nieuw. De Franse Kalimijnen die de Rijn verzilten leverden er al een klassiek arrest over op.
Hoe ver dat gereedschap reikt, toont de zaak die het dichtst bij Giverny komt: Lliuya tegen RWE. De Peruaanse boer en berggids Saul Luciano Lliuya vorderde dat RWE, de grootste CO2-uitstoter van Europa, naar rato van zijn aandeel in de mondiale uitstoot (berekend op 0,47%) zou bijdragen aan bescherming van zijn huis tegen een dreigende overstroming vanuit een gletsjermeer. Het Oberlandesgericht Hamm wees de vordering op 28 mei 2025 af, maar pas na zesenvijftig pagina's waarin het alle verweren van RWE verwierp en oordeelde dat een grote uitstoter in beginsel, naar evenredigheid van zijn bijdrage, aansprakelijk kan zijn voor dreigende aantasting van andermans eigendom. De afwijzing zat uitsluitend in de feiten, want de kans dat de overstroming Lliuya's huis binnen dertig jaar zou treffen, achtte het hof te klein. Het beginsel is echter wel toegegeven, ondanks dat deze individuele zaak strandt op het bewijs.
Want hier wreekt zich de herkomst van het gereedschap. Artikel 6:99 en de proportionele leer zijn gesmeed voor een besloten groep aansprakelijke partijen, namelijk een handvol asbestbedrijven of een dozijn DES-fabrikanten. De uitstoter van klimaatschade is daarentegen letterlijk iedereen die ooit heeft gestookt, gereden of gegeten. Een rechter die artikel 6:99 werkelijk consequent op CO2 zou toepassen, zou de Peruaanse boer, of de stichting die Monets tuin beheert, hoofdelijk aansprakelijk moeten houden jegens zichzelf. Het instrument buigt mee, maar het past niet. Dat is geen technisch mankement dat met een slimmer processueel vernuft te repareren valt, het is een categoriefout. We vragen een leerstuk dat is gebouwd om schuld te individualiseren, een schade te bedienen die per definitie gedeeld is.
Wat voor schade is een dode capucine?
Stel dat de causaliteit toch te nemen zou zijn. Dan volgt een vraag die de kunsthistoricus scherper voelt dan de jurist. Wat voor schade lijden we hier eigenlijk? Het relativiteitsvereiste (artikel 6:163 BW) dwingt tot de vraag of de geschonden klimaatnorm wel strekt tot bescherming van het belang dat hier is aangetast, zijnde de esthetische en cultuurhistorische waarde van een tuin. En de begroting stuit op iets vreemds. De vermogensschade, de kostprijs van nieuw zaad en een middag tuinieren, is verwaarloosbaar. De werkelijke schade is immaterieel en cultureel. Er wordt een levende lijn doorgeknipt die teruggaat op de hand van Monet zelf, de aantasting van wat in feite een Gesamtkunstwerk is, een schilderij in de vierde dimensie van de tijd.
Hier loopt ons schadevergoedingsrecht vast op zijn eigen ambitie. Afdeling 6.1.10 BW wil de benadeelde brengen in de toestand waarin hij zonder de schade zou hebben verkeerd. Bij een levende compositie is dat onmogelijk. De opnieuw ingezaaide capucines zullen genetisch en visueel gelijkend zijn en historisch niet dezelfde. Het recht kan uitrekenen wat de planten kosten, maar niet wat het verlies waard was. Op dat punt gaan de jurist en de kunsthistoricus uiteen en het is de jurist die met lege handen achterblijft.
Verzekerbaarheid, waar het falen zichtbaar wordt
Waar aansprakelijkheid tekortschiet, springt gewoonlijk de verzekering bij. Maar juist daar wordt het falen het duidelijkst zichtbaar, omdat het verzekeringsmodel op drie aannames rust die het klimaat alle drie ondergraaft. Verzekeren veronderstelt risico's die onderling onafhankelijk zijn, die zich laten spreiden en waarvan de kans stabiel genoeg is om te worden gecalculeerd. Klimaatschade is gecorreleerd, immers een hittegolf treft alle capucines, alle daken, alle oogsten tegelijk. Zij is systemisch en daardoor nauwelijks te diversifieren. En zij is niet-stationair, want het verleden voorspelt de toekomst niet meer, waarmee de actuaris zijn belangrijkste instrument, de historische kansverdeling, uit handen is geslagen. Het gevolg tekent zich wereldwijd af in stijgende premies, terugtrekkende verzekeraars en een groeiende protection gap, gebieden die eenvoudigweg onverzekerbaar worden.
Cultureel erfgoed is een bijzonder lastig object in deze markt, om een reden die de hele kwestie samenbalt. Het is vaak onverzekerbaar juist omdat het onvervangbaar is. Een polis vergoedt een som geld, maar geen enkele som is een adequate vergoeding voor iets waarvan de waarde nu juist niet in geld uitdrukbaar is. Zo verschuift het restrisico naar het collectief, en wordt de staat een verzekeraar in laatste instantie, solidariteitsfondsen, publieke erfgoedbescherming. En daarmee zijn we terug bij het begin. Het risico dat de private markt weigert te dragen, is precies het risico dat een politieke en collectieve verantwoordelijkheid wordt. Aansprakelijkheid en verzekerbaarheid lopen aan dezelfde grens dood, en achter die grens ligt niet het recht maar de politiek.
Besluit
Het aansprakelijkheidsrecht is een terugkijkend, individualiserend instrument, en we zetten het in tegen een schade die vooruitkijkt en gedeeld is. Het kan inmiddels een norm benoemen (Urgenda, KlimaSeniorinnen, Shell, Bonaire) en zelfs, in beginsel, een evenredig aandeel toerekenen (Lliuya). Wat het niet kan, is het enige wat de stichting in Giverny stilzwijgend beloofde toen zij zei dat de bloemen volgend jaar terugkomen: de zaak werkelijk helen. De capucines keren terug. Waar het bij Giverny om gaat, is wat niet terugkeert. Een rechtsorde die is gebouwd op de fictie dat elk verlies in geld te herstellen valt, stuit in een verschroeid bloembed op een verlies dat geld nooit heeft kunnen raken. Dat is geen voetnoot van een 'klimaatdrammer' bij de klimaataansprakelijkheid. Het is misschien haar kern.



