Het wandtapijt met de paarden. Over restitutie langs de strafrechtelijke achterdeur
Edgar Mulders
22/9/26

Jacques Goudstikker was nog maar net dood toen Hermann Göring in juli 1940 in Amsterdam verscheen. De kunsthandelaar was op de vlucht naar Engeland aan boord van de SS Bodegraven verongelukt. Via een zaakwaarnemer die daartoe nooit bevoegd was, kocht Göring de voorraad van de galerie aan de Herengracht op, voor een fractie van wat die waard was. Tussen de ruim elfhonderd werken hing een achttiende-eeuws portret van een dame, destijds toegeschreven aan Giuseppe Ghislandi. Het ging naar Duitsland en kwam uiteindelijk, samen met Friedrich Kadgien, een financieel ambtenaar uit Görings kring, in Argentinië terecht.
Tachtig jaar later zagen twee journalisten van het Algemeen Dagblad het doek terug, op een foto bij een woningadvertentie in Mar del Plata. Het hing boven de bank bij Kadgiens dochter Patricia thuis. Toen de federale politie kwam, was het weg. Op de plek waar het had gehangen, hing nu een wandtapijt met paarden. Patricia Kadgien en haar man, Juan Carlos Cortegoso, kregen huisarrest en dat bleef zo tot hun advocaat het schilderij op 3 september 2025 bij het federale Openbaar Ministerie kwam afgeven.
Een jaar later, op 4 september 2026, besliste federaal rechter Santiago Inchausti dat het portret naar Marei von Saher gaat, de erfgenaam van Goudstikker. Haar advocaten spreken van een vrijwel ongekende zaak: voor zover zij weten, is nooit eerder door de nazi's geroofde kunst uit particuliere handen teruggegeven via een strafproces.
Dat klopt, maar het meest opvallende is iets anders. Deze restitutie is waarschijnlijk alleen gelukt omdat niemand hoefde te beantwoorden wie de eigenaar van het schilderij was. Dat het doek terugkwam, lag niet aan tachtig jaar bezit. Het lag aan een wandtapijt.
De zaak die er niet kwam
Om dat te zien, moeten we kijken naar de procedure die nooit gevoerd is: een civiele revindicatie van Von Saher tegen Kadgien.
Die zaak zou naar Argentijns recht zijn beoordeeld. Voor roerende zaken geldt de lex rei sitae en het doek hangt al decennia in Mar del Plata. Het Argentijnse Código Civil y Comercial van 2015 is voor de bestolen eigenaar nauwelijks gunstiger dan ons Boek 3. Wie een gestolen of verloren roerende zaak met een geldige titel en te goeder trouw bezit, is volgens artikel 1898 al na twee jaar eigenaar. Artikel 1899 werkt zoals ons artikel 3:105 BW. Heeft de bezitter geen titel of geen goede trouw, dan geldt een termijn van twintig jaar, en daarna kan niemand hem het ontbreken van een titel of zijn kwade trouw nog tegenwerpen. Onder het oude wetboek van Vélez Sarsfield was dat voor roerende zaken minder duidelijk; daar werd wel verdedigd dat wie een gestolen roerende zaak te kwader trouw bezat, nooit door verjaring eigenaar kon worden. Het overgangsrecht maakt de berekening dus lastiger, maar inmiddels valt ze in het voordeel van de bezitter uit.
Kadgien had bovendien al een verhaal. Tegenover justitie verklaarde ze dat een schoonzus van haar vader het schilderij in 1943 bij een museum in Keulen zou hebben gekocht. Of dat klopt, maakt processueel weinig uit. Zodra dit verhaal op tafel ligt, gaat de zaak niet meer over roof. Ze gaat dan over bewijs, titel en goede trouw en die moeten tachtig jaar na dato worden vastgesteld. Het echtpaar vroeg de provinciale rechter ook om de kwestie aan de civiele rechter over te laten: was het doek een erfstuk van Kadgien, die zich als bezitter en eigenaar presenteerde, of kwam het de erven Goudstikker toe? Wie weet dat de tijd in zijn voordeel werkt, kiest voor de rechter bij wie tijd meetelt.
Ook de titel van de eiseres had een zwakke plek
Er is nog een reden waarom een procedure over eigendom riskant zou zijn geweest en die staat in geen enkel bericht: ook de titel van Von Saher is niet onbetwist.
Het portret hoorde bij de zogenoemde Göring-werken. Voor die groep koos de kunsthandel na de oorlog bewust een andere aanpak dan voor de werken die naar Alois Miedl waren gegaan. Op 10 november 1949 schreef de kunsthandel aan de Stichting Nederlandsch Kunstbezit dat zij geen rechtsherstel zou vragen voor wat Göring had overgenomen. In 1999 oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat de vennootschap daar welbewust voor had gekozen, met deskundige juristen aan haar zijde. Dat de Staat in 2006 toch 202 werken teruggaf, volgde uit het verruimde restitutiebeleid en het advies van de Restitutiecommissie van december 2005. Een civielrechtelijke plicht was er niet. Juist over dat verschil ging mijn eerdere blog, restitutie is allang geen eigendomsvraag meer.
Goederenrechtelijk is de verkoop aan Göring dus nooit ongedaan gemaakt. Een goede advocaat van de wederpartij had dat in Mar del Plata ook aan de orde kunnen stellen. Dan komen er meteen lastige vragen van internationaal privaatrecht bij. Welk recht gold voor de overdracht in Amsterdam in 1940? Welk recht gold toen het doek Duitsland verliet? En erkent Argentinië een Nederlandse regeling voor rechtsherstel waarop nooit een beroep is gedaan?
De civiele route was dus aan twee kanten kwetsbaar. De bezitter kon zich op verjaring beroepen, en de eiseres had een titel die in 1949 en 1952 zelf was losgelaten. Het strafrecht ontweek beide problemen.
Wat het strafrecht wel kon
Hoe kreeg federaal officier van justitie Carlos Martínez dat voor elkaar? Door zorgvuldig te kiezen voor welk feit hij vervolgde. Voor de roof van 1940 kon hij niet vervolgen: de daders zijn dood en de feiten zijn gepleegd buiten de Argentijnse rechtsmacht. Hij vervolgde voor encubrimiento agravado, gekwalificeerde begunstiging, omdat het echtpaar de werken in huis had bewaard en verborgen. Het beslissende feit was recent en precies te dateren. Tussen de publicatie in augustus 2025 en de doorzoeking werd het doek van de muur gehaald en door iets anders vervangen. Dat verbergen gebeurde in 2025, dus verjaring van de strafvervolging speelde geen rol. Dat het schilderij goederenrechtelijk misschien al veertig jaar eerder 'schoon' was geworden, deed voor dit delict niet ter zake.
Tot een veroordeling kwam het niet. De rechter stemde in met een suspensión del juicio a prueba, de Argentijnse probation van artikel 76 bis van het Wetboek van Strafrecht. De vervolging wordt twee jaar geschorst, onder gedragsregels en met een gezamenlijke donatie van 4,8 miljoen peso aan de ondersteuningsorganisatie van het moeder-en-kindziekenhuis in Mar del Plata. Het echtpaar deed uitdrukkelijk en onherroepelijk afstand van elk recht op het schilderij en van elke civiele of strafrechtelijke vordering die ermee samenhangt. De familie Goudstikker zag op haar beurt af van elke civiele en strafrechtelijke vordering tegen hen.
Artikel 76 bis maakte dat op twee manieren mogelijk. De verdachte die om probation vraagt, moet aanbieden de schade zo goed mogelijk te herstellen. De wet vermeldt uitdrukkelijk dat hij daarmee geen civiele aansprakelijkheid erkent. Daarnaast moet hij afstand doen van de goederen die bij een veroordeling waarschijnlijk verbeurd zouden worden verklaard. Artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht laat bij die verbeurdverklaring het recht van de benadeelde op teruggave uitdrukkelijk intact. Zo kan een zaak via het strafproces bij de benadeelde terugkomen, zonder dat iemand hoeft vast te stellen dat die benadeelde ook eigenaar is.
Daar draait het om. De rechter in Mar del Plata heeft niet beslist dat Von Saher eigenaar is. Hij heeft een afstand bekrachtigd en daarmee de teruggave aan haar mogelijk gemaakt. Wie de eigenaar is, heeft hij niet vastgesteld. Het probleem is opgelost zonder die vraag te beantwoorden.
Drie punten die schuren
Er is alle reden om deze uitkomst toe te juichen. Maar juridisch zijn er drie punten die schuren.
Het eerste: wie is hier eigenlijk het slachtoffer? In het Argentijnse wetboek staat begunstiging bij de misdrijven tegen het openbaar gezag. Het delict beschermt de rechtspleging, niet de eigendom. Door het verbergen in 2025 zijn de erven Goudstikker niet benadeeld; hun schade ontstond door de roof in 1940. Toch traden zij op als querella en ging het herstel naar hen. Via een later en veel kleiner delict kon het oorspronkelijke onrecht alsnog worden aangepakt. Dat werkt, maar dogmatisch is het een omweg.
Het tweede: hoe vrijwillig is een afstand die onder dreiging van vervolging wordt gedaan? Het echtpaar zat een paar dagen onder huisarrest, werd verdacht van een gekwalificeerd delict en kreeg een uitweg aangeboden die alleen openstond als het afstand deed van het schilderij. Ik vind de uitkomst niet onrechtvaardig, maar we moeten wel benoemen wat er gebeurde. Met strafrechtelijke druk werd een goederenrechtelijke positie doorbroken die in een civiele procedure misschien overeind was gebleven. Bij een dading heet dat onderhandelen in de schaduw van het recht. Hier werd onderhandeld in de schaduw van het strafrecht, en die schaduw is een stuk donkerder.
Het derde: wie is hieraan gebonden? Een afstand werkt alleen tussen partijen. Het is geen vonnis dat iedereen bindt. Wie verder nog aanspraak op het schilderij kan maken, is nergens bij betrokken geweest. Dat kunnen andere erfgenamen van Kadgien zijn, of een staat die meent dat de Göring-werken ooit aan hem zijn vervallen. Wil een verzamelaar of museum het werk over twintig jaar kopen, dan staat er een strafrechtelijke afstandsverklaring in de herkomstgeschiedenis. Die is waarschijnlijk solide, maar niet onaantastbaar.
Het verhaal heeft ook een wrange symmetrie. De Göring-werken gingen na de oorlog definitief verloren doordat de familie in 1949 geen rechtsherstel vroeg en in 1952 een dading met de Staat sloot. Nu komt een van die werken terug, opnieuw via een schikking, dit keer in het strafrecht. De zaak Goudstikker begint en eindigt met een schikking.
En in Nederland?
Stel dat het doek in Den Bosch of Tilburg was opgedoken, bij de kleindochter van een NSB-kunsthandelaar. Had het Openbaar Ministerie dan hetzelfde kunnen doen?
De strafbepalingen zijn er. Wie opzettelijk een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft, pleegt heling (artikel 416 Sr). Wie verbergt waar een goed uit misdrijf vandaan komt of waar het zich bevindt, pleegt witwassen (artikel 420bis Sr). Een schilderij vlak voor een doorzoeking vervangen door een wandtapijt is daar een schoolvoorbeeld van. En omdat voorhanden hebben een voortdurend delict is, begint de verjaring van de vervolging pas te lopen als het voorhanden hebben ophoudt. Voor het strafrecht doet de tijd sinds de oorlog er dus nauwelijks toe.
Er ligt hier wel een vraag die, voor zover ik weet, nog niet is beantwoord. Is een goed nog 'door misdrijf verkregen' of 'uit misdrijf afkomstig' als de bezitter er inmiddels op grond van artikel 3:105 BW eigenaar van is geworden? Er is veel voor te zeggen dat het strafrecht naar de herkomst kijkt en niet naar de huidige titel: dat een goed goederenrechtelijk 'schoon' is geworden, verandert niets aan waar het vandaan komt. Maar dan krijg je een vreemde situatie. Het strafrecht bedreigt iemand met straf omdat hij iets heeft waarvan het burgerlijk recht zegt dat het van hem is.
Diezelfde spanning speelt bij het beslag. Na inbeslagneming beslist uiteindelijk de strafrechter, in een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv, of het goed wordt teruggegeven en aan wie. Het criterium is wie redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (artikel 116 Sv). Die toets is summier, maar het blijft een civielrechtelijke toets. Is de twintigjarige verjaring van artikel 3:306 jo. 3:314 lid 2 BW voltooid, dan komt de bezitter daar waarschijnlijk als rechthebbende uit. In mijn blog over de gestolen Picasso liet ik al zien dat het Nederlandse recht de tijd in het voordeel van de bezitter laat werken. Het beslag zou dan kunnen eindigen met teruggave aan de heler.
Dat verandert als de verdachte afstand doet. Ook het Nederlandse strafrecht kent die mogelijkheid: bij een transactie of strafbeschikking kan het OM als voorwaarde stellen dat de verdachte afstand doet van in beslag genomen voorwerpen (artikel 74 lid 2 sub b Sr). In grote lijnen is de Argentijnse constructie hier dus na te volgen, met hetzelfde gevolg. De rechter stelt niet vast wie eigenaar is; de verdachte geeft zijn aanspraak op en wordt in ruil daarvoor niet vervolgd. Net als in Mar del Plata valt de beslissing dan niet in een vonnis, maar aan de onderhandelingstafel.
Een tweede verschuiving
In mijn eerdere blog betoogde ik dat het bij restitutie steeds minder om eigendom gaat en steeds meer om legitimiteit. Mar del Plata laat een tweede verschuiving zien, die met de eerste samenhangt: restitutie verhuist ook naar een ander forum. De civiele rechter maakt plaats voor de strafrechtketen, of, zoals in Nederland en Duitsland, voor commissies die beleid uitvoeren. Deze week nog adviseerde de Restitutiecommissie om een Van Goyen aan de erven Goudstikker terug te geven. Al die routes hebben gemeen dat de eigendomsvraag wordt omzeild. Het klassieke goederenrecht, met verjaring en bescherming van de bezitter, bestaat nog steeds, maar speelt in deze zaken nauwelijks een rol.
Dat is begrijpelijk. De Washington Principles vragen om 'rechtvaardige en billijke oplossingen', niet om een zuivere toepassing van de lex rei sitae. Toch heeft deze aanpak een prijs. Restitutie via het strafrecht hangt af van toeval: van een woningadvertentie, van een bezitter die zo onverstandig is het doek van de muur te halen, en van een officier van justitie die er werk van maakt. Had Patricia Kadgien het portret laten hangen, dan was er geen begunstiging geweest, geen huisarrest en geen drukmiddel. Dan was het een civiele procedure geworden, en daarin had artikel 1899 haar grootste troef kunnen zijn.
Dat is de ongemakkelijke les van deze zaak. Het schilderij is niet teruggekomen omdat het recht de roof van 1940 heeft hersteld. Het kwam terug omdat iemand in 2025 een strafbaar feit pleegde dat klein genoeg was om te schikken en recent genoeg om te vervolgen. Wie restitutie serieus neemt, moet dat zien als een waarschuwing, niet als een oplossing. Als een rechtsorde geroofde kunst alleen via het strafrecht kan teruggeven, schiet het goederenrecht tekort en neemt het strafrecht die taak over. Moet dat gat worden gedicht, bijvoorbeeld met een eigen verjaringsregime voor cultuurgoederen die door vervolging verloren zijn gegaan? Of laten we het bewust open omwille van de rechtszekerheid? Dat is een keuze voor de wetgever. Het mag niet afhangen van een wandtapijt met paarden.
Dit blog is bedoeld als algemene juridische beschouwing en niet als concreet juridisch advies. De weergave van het Argentijnse recht is rechtsvergelijkend van aard. Hoe een concreet geval goederenrechtelijk en strafrechtelijk moet worden beoordeeld, hangt af van de precieze feiten, het toepasselijke recht en het internationaal privaatrecht.



